Handig

Al weer bijna dertig jaar geleden deed ik ‘onderzoek’ naar de verschillen en de voorkeuren van links en rechtshandige volleyballers. Ik trainde in die tijd diverse volleybalteams, waaronder jongens in de leeftijd tussen de 10 en 12 jaar. Wij noemde dat toen de D-mini’s. De leeftijdsfase waarin je de smash ging aanleren. Met de introductie van Smashvolley gebeurd dat tegenwoordig een stuk eerder. Als je de smash gaat aanleren is een van de eerste vragen die je stelt; “Ben je rechts- of ben je linkshandig”. Was je linkshandig dan werd je het rechts-links-rechts aanloopritme aangeleerd. Was je rechtshandig dan was dit omgedraaid. Wat mij opviel was dat er altijd spelers waren die met dat vereiste aanloopritme niet uitkwamen. Deze jongens konden uit stand prima smashen, maar met een aanloop, in sprong, ging het mis. Het duurde enorm lang voordat ze het vereiste pasritme onder de knie hadden. Vaak waren ze voor die tijd al afgehaakt, met het idee dat ze het nooit zouden leren.

Wat ging er mis? Ik had geen idee. In een artikel in de Volley Techno, eind jaren ’80 vertelde Toon Gebrands dat het genoemde pasritme bij 90% van de spelers klopt en dat 10% van de spelers een omgekeerd pasritme loopt. Dit was lastig af te leren, sterker het bleek vaak averechts te werken. Toon gaf als oplossing om in ieder geval een goede voetplaatsing aan te leren. Een goed aanloopritme is dan minder een probleem, de schouderas staat dan tenminste goed. Ik ben in die periode erg veel gaan lezen, met experts gaan praten, over motorische ontwikkeling, over links- en rechtshandigheid.

Op het gebied van de motorische ontwikkelingsfase, zo leerde ik, zijn er verschillende modellen, maar een ziet er als volgt uit:

1. Tussen 0 en 4 jaar: altenerende beweging
2. Tussen 5 en 7 jaar: symetrische beweging
3. Tussen 7 en 9 jaar: lateralisatie
4. Ouder dan 9 jaar:    dominantie

In dit schema zijn de leeftijden natuurlijk slechts richtleeftijden. Het ene kind is nu eenmaal sneller dan het andere kind. In de eerste fase maakt het kind onwillekeurige bewegingen. In de volgende fase zien we al meer gerichte bewegingen, veelal met twee handen, twee benen. In de derde fase zien we een betere controle over de ledematen. Een kind kan bijvoorbeeld met een hand stuiteren. Er is echter nog geen voorkeur voor links of rechts. In de laatste fase gaat het kind een voorkeur ontwikkelen voor de linkerarm of de rechterarm. Ook zal er een voorkeur ontstaan voor het linker- of rechterbeen. Hierdoor ontstonden er, in mijn beleving, een viertal combinaties:

1. linkshandig – linksbenig (links dominant)
2. rechtshandig – rechtsbenig (rechts dominant)
3. linkshandig – rechtsbenig (gekruist dominant rechts)
4. rechtshandig – linksbenig (gekruist dominant links)

Mijn aanname was dat dit niet aangeleerd was, maar dat dit behoorde tot de aanleg. Ik ben in die periode, voordat ik met het aanleren van de smash begon, allerlei testen gaan doen. Lijstjes werden er gemaakt. Als de spelers bij de sporthal wegfietste dan hield ik bij welk been zijn over het zadel zwaaide. Als het gesneeuwd had, maakte wij aan het begin van de training een glijbaantje in de sneeuw en dan was ik benieuwd welk been zij voor plaatste om evenwicht te houden. Zo had ik nog een aantal testjes. Op die manier ontstonden de rijtjes. Een speler van linksdominant, was rechtsdominant of was gekruist dominant. Daarna gingen wij, gewoon op de standaard wijze, de smash aanleren en jawel de spelers die linkshandig, maar rechtsbenig bleken te zijn, waren de spelers die verkeerd uit kwamen. Bij rechtshandig-linksbenig, bleek dit ook het geval. Deze spelers liepen, als ik niets zou zeggen, het omgekeerde pasritme. In het verlengde van wat Gerbrands al aangaf, ben ik mij gaan focussen op de afzet, in plaats van op het aanloopritme. Wat bleek, deze spelers konden plots uit alle hoeken aanlopen. Ze waren niet geconditioneerd op een drie-pas-ritme, liepen een aanlooprite dat bij hen paste. Het werden plots betere aanvallers, omdat het geen ze moesten uitvoeren paste bij hoe zij in elkaar staken. Na een aantal jaren durfde ik hierover een artikel te schrijven. Gerbrands zelf reageerde, in het 1e nummer van de Volley Techno van 1991, op het artikel. Hij gaf aan dat de theorie op een zeer zorgvuldige wijze was opgebouwd. Ik kreeg van hem ook de tip om de cursus Neurotraining te gaan volgen bij Ben van Cranenburgh van het Instituut Toegepaste Neuro Wetenschappen. Een wereld ging voor mij open.

Veel later leerde ik dat wij ook een voorkeur hebben voor of het linker- of rechteroog, wij hebben een left motor eye of een right motor eye. Iemand met een left-motor eye ziet een bal die van rechts komt, minder snel dan iemand met een right motor eye. Omgedraaid zal iemand met een right motor eye en bal die van links komt mogelijk later zien. Ook leerde ik dat er spelers zijn die hun blikveld voornamelijk naar beneden gericht hebben en spelers die een voorkeur hebben voor wat boven hen gebeurd. Er zijn spelers die een voorkeur hebben om vanuit een hoge uitgangspositie naar beneden te bewegen, dus makkelijk naar de grond gaan. Er zijn echter ook spelers die een voorkeur hebben om vanuit een lage uitgangspositie omhoog te komen. Kortom, je kan mensen niet echt over een kam scheren. De eerder genoemde onder verdeling wordt dus nog wat ingewikkelder. Want stel dat je een speler hebt, rechtshandig, linksbenig, met een right motor eye, die je over positie twee (rechtsvoor) wil laten aanvallen. Bij een rechte aanloop, zal hij met een omgekeerd pasritme niet uitkomen. Als de set-up van links komt en dat komt vaak voor, dan zal deze relatief laat in het blikveld komen. Wat moet deze aanvaller doen, om toch te scoren?

horizontaal perifeer zicht

Wat voor het volleybal geldt, gaat natuurlijk ook voor het voetbal. Geen mens is gelijk.
Een speler die als rechtsbuiten speelt, met een right motor eye, zal volgens mij met zijn rug naar de zijlijn gaan staan om de bal eerder aan te zien komen. Waar zou een linksbenige verdediger, met een left motor eye, het beste uit de voeten kunnen?
Een keeper met een left motor eye, zal als hij in het midden van het doel staat, bij een strafschop, als de bal rechts van hem geschoten wordt, de bal missen. Omgedraaid als deze speler ook nog eens rechtsbenig is, zal het afzetten om naar rechts te duiken moeizamer gaan. Ik vroeg mij af of deze keeper meer strafschoppen zou stoppen als hij wat uit het midden zou staan, waardoor hij de ruimte om de strafschop te plaatsen, links van hem groter maakt, waardoor strafschopnemer bijna uitgenodigd wordt om de bal links te schieten. Door dat de bal nu links van hem komt, zal hij deze ook blijven zien, doordat zijn afzetbeen zijn rechterbeen is, zal hij ook sneller naar links kunnen verplaatsen. De ruimte rechts naast ‘m wordt kleiner, waardoor ook daar de kans op stoppen van de bal groter wordt.

Spelers als individu bekijken, vanuit hun eigen ontwikkeling, met hun eigen kwaliteiten, zou dat wenselijk zijn?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s