LTAD

De Gelderlander plaatste op 31 maart j.l. een artikel over het geboortekwartaaleffect. Naast PSV bleek dat ook bij clubs als Vitesse, NEC en De Graafschap het aantal ‘talenten’ geboren in het eerste kwartaal van het jaar wel erg groot was. Het artikel bleek de opmaat tot een groter artikel dat op 1 april geplaatst werd. De timing is opvallend, want jawel, zou dit niet een grote grap zijn?

Dit geboortekwartaaleffect is geen grap. Het is een verhaal met een baard waar Sinterklaas stinkend jaloers op is. Co Adriaanse was hoofdopleiding bij Ajax toen er al onderzoek gedaan werd naar dit fenomeen. Co schrok zich rot. ‘Wij hebben over jaren potentiële Johan’s met het badwater weggespoeld!” Het moest anders. Wanneer was Co ook al weer Hoofd Opleidingen bij Ajax? Inmiddels is het 2018, een nieuwe eeuw en jawel, nu blijkt dat Vitesse, NEC en de Graafschap met datzelfde probleem te maken te hebben. Niet nieuw, want eerder dit jaar bleek dat ook bij PSV het aantal kinderen geboren in het 1e kwartaal van het jaar wel heel erg groot te zijn. Men schrok zich dood. “Wij hebben over jaren misschien wel potentiële Marco’s met het badwater weggespoeld!”

De oplossingen
Door de verantwoordelijke bij de BVO’s aan het woord te laten los je dit probleem natuurlijk niet op. Als de BVO’s dit probleem zelf op zouden kunnen lossen, dan was dat natuurlijk allang gebeurd. Zo meent het hoofd opleiding van NEC dat het een wereldwijd fenomeen is, dat in elke sport voorkomt. Hij geeft aan dat zij een werkend opleidingssysteem hebben opgezet. Maar daar zitten ook fouten in.”  Je kan niet stellen dat alle sporten, overal, te maken hebben met dit fenomeen. Uit onderzoek midden vorige eeuw kwam al naar voren dat het geboortekwartaalefect, weliswaar in veel sporten te zien is, maar dat je dit niet kan generaliseren. Zo komt dit fenomeen in het Duitse hockey wel voor maar in het Nederlandse hockey niet. Het heeft de maken met de wijze waarop je selecteert, hoe je naar je eigen sport kijkt en met de waarde die je al op jonge leeftijd aan winnen hecht. Uit de cijfer van De Gelderlander blijkt ook dat het geboortekwartaaleffect vaker te zien is bij rechtshandig en rechtsbenige spelers, want daar zijn er veel van. Ben je rechtsbenig en geboren in december, dubbel pech.

Het hoofd van de Vitesse academie kwam met een oplossing.
,,Je kunt de peildatum veranderen’’, aldus Edwin Petersen, hoofd van de academie van Vitesse. ,,Decennia geleden was de peildatum augustus en waren de kinderen uit de tweede helft van het jaar dus de vroegrijpers. Dan liep het kind in juni en juli achter in de ontwikkeling.”  Nu kennen wij, in het onderwijs kende wij ook een geboortekwartaaleffect (Doornbos).  Uit onderzoek bleek dat er in de jaren 60/70 van de vorige eeuw, in het speciaal onderwijs, wel heel veel kinderen, geboren in de laatste maanden vóór de 1 oktober, de peildatum. Waren dat dan de ‘domme kinderen? Ik dacht het niet. Zou het dan helpen om die peildatum te veranderen? Ik denk het ook niet. In Engeland kende men, in het onderwijs datzelfde fenomeen. Alleen waren de kinderen daar geboren in andere maanden omdat, jawel de peildatum niet 1 oktober, maar 1 september was. Het probleem lag ‘m aan de wijze waarop wij kinderen beoordelen. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor het selecteren binnen de sport. Want waarom heb je als voetballer meer kans als je linksbenig net en als volleyballer meer kans als je op jonge leeftijd lang bent? Je zou wel zoals in Denemarken, gaan werken met geboortekwartaal quota.

In september 1998 werden de resultaten van een onderzoek naar het geboortekwartaaleffect in het volleybal gepresenteerd. Later geboren eerder afgeserveerd was de titel van dit rapport van Hanno van der Loo en Jacques van Rossum. Het onderzoek was uitgevoerd bij de B steunpunt selecties van de Nevobo. Bij deze selecties zo kwam naar voren deden zich structureel geboortekwartaaleffecten voor.  De kans om door te dringen tot de selectie is voor vroeggeborenen beduidend groter dan voor laatgeborenen. Een deel van het Nederlands volleybaltalent lijkt dus, op oneigenlijke gronden, de kans op ontwikkeling te worden ontnomen. Verder bleek ook dat de verhouding tussen het percentage vroeggeborenen en het percentage laatgeborenen, de laatste twee seizoenen beduidend schever dan de seizoenen daaraan voorafgaand. Dit zou te maken hebben met de toen nieuwe ideeën over het volleybal van de toekomst. Hierin gaven lengte, kracht en atletisch vermogen de doorslag. Verder werd geconcludeerd dat het vervroegen van de B-leeftijd, die net twee seizoenen daarvoor was ingevoerd, een rol zou kunnen spelen. Er werd hierdoor namelijk geselecteerd in een leeftijd waarin de lichamelijke ontwikkeling sneller verloopt. Verder werd aan de trainers gevraagd wat de belangrijkste selectiecriteria waren. Als belangrijkste criterium kwam bewegingscoördinatie naar voren, met op een tweede plek, de lichaamslengte. Met name die lichaamslengte kan, bij kinderen in de groei, natuurlijk enorm verschillen. Ik herinner mij een toptrainer uit die tijd die zei: “Ik kan jou wel leren volleyballen, maar lang worden …..” Een van de aanbevelingen in dit rapport was dat de Nevobo, door zelfonderzoek, diende te achterhalen wat nu de primaire en secundaire factoren waren die bijdragen aan het optreden van het geboortekwartaaleffect.

In het artikel in De Gelderlander benoemd Roscher, hoofd opleiding bij NEC, dat opleiden moeilijk is en dat maar liefst 90% het betaald voetbal sowieso niet haalt. Daarin hebben kinderen geboren in het laatste kwartaal van het jaar procentueel nog minder kans. Als je daar over nadenkt, zou je denken dat je dan juist niet op vroege leeftijd als zo moet versmallen. Als er lopende de weg naar de top van die piramide steeds kinderen afvallen, dan zal je, wil je aan de top echt de beste overhouden, de basis zo breed mogelijk moeten houden. Petersen, hoofd van de Vitesse academie, benoemd nog iets anders. Hij geeft aan dat het competitie element grote invloed heeft op het selectieproces. Hij vraagt zich af of wij het winnen wel zo belangrijk moeten maken. Coaches kijken toch naar het directe resultaat. Met andere woorden, met welke spelers kan hij op de korte termijn winnen. Dit is interessant, want dit zegt iets over de gehanteerde selectiefilosofie. Net als die volleybalcoach die niet gaat wachten tot dat een spelertje lang is, zal ook de voetbalcoach kinderen selecteren met wie hij op de korte termijn wedstrijden kan winnen. Iddo Roscher benoemd het eigen belang van de club. Ik denk dat het óók om eigen belang van de trainer gaat. Ik kom niet veel trainers tegen die zeggen, ik wil geen kampioen worden. Ik behoef niet zo nodig de credits, ik leidt op voor het eerste elftal of liefst voor een nog hoger niveau. Trainers zijn vooral bezig met het korte termijn resultaat.

Long Term Athlete Development
De KNAU heeft zich in haar visie op jeugdatletiek laten inspireren door het Long Term Athlete Development (LTAD) model. Dit van oorsprong Canadese model vindt internationaal steeds meer navolging. Het LTAD model is gebaseerd op ontwikkelingspsychologische aspecten. De centrale gedachte daarbij is dat een vroege brede bewegingsbasis en plezier aan sportbeoefening er voor zorgt kinderen hun talenten kunnen ontdekken en ontwikkelen, maar ook dat een mens een leven lang blijft bewegen. Voor de één betekent dat kiezen voor presteren in de (top)sport, voor de ander betekent dat kiezen voor een meer recreatieve beoefening van de sport. De systematiek richt zich dan ook zowel op talentontwikkeling richting de topsport als de breedtesport. Binnen het voetbal wordt hier over het algemeen nog niet mee gewerkt. Daar moeten kinderen vooral harder trainen en staat winnen voorop. De enige fase die nog een beetje uit de verf komt is de eerste fase, de FUNdamentals. Wij zijn het er over het algemeen toch wel over eens dat de jongste kinderen het vooral leuk moeten hebben. Bij deze leeftijdsfase staat plezier centraal. De fase Fundamentals loopt vanaf de actieve start, tot een jaar of negen. Dit is in het voetbal ook de fase waarin de BVO’s zich met het scouten op richten. Ik zou denken dat juist deze fase prima door plaatselijke verenigingen opgepakt zou kunnen worden. Dichtbij huis, samen met vriendjes plezier ervaren in het sporten. Natuurlijk kan je het model niet generaliseren, het is ook niet voor niets een model. Er zullen vast kinderen zijn die sneller door al die fases gaan. Opvallend aan dit model vind ik de laatste twee fasen. In de fase Training to Compete ga je als trainer aan de slag met de wedstrijdvoorbereiding.  Je leert jongeren om te gaan met spanning van een wedstrijd. Train to compete (15-23 jaar): Het trainen wordt prestatiegerichter middels periodisering. Er wordt een persoonlijk trainingsprogramma opgesteld vanuit een meerjarenplan. De training is nu sport- en positiespecifiek. In de training worden nu ook onder druk,  onder competitie omstandigheden getraind. In deze fase vind ook de specialisatie plaats. De laatste fase is Training to Win gaat over het verder perfectioneren van de prestaties, om het neerzetten van resultaten. De start van een (professionele) topsportcarrière.

Hoewel, ook in ons land het LTAD binnen meerdere sporten gebruikt wordt, is het niet onomstreden. Zo leek er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs voor het model voor handen.  Wij moesten het model meer zien als een vorm van periodisering. In de lectorale-rede-perceptueel-motorische-talentontwikkeling (2016) geeft prof. Savelsbergh aan dat het LTAD-model (Balyi, Way & Higgs, 2013), door sportbonden in meer dan vijftig landen gebruikt  wordt, omdat het een goed houvast biedt bij het onderscheiden van ontwikkelingsfasen die kinderen doorlopen. Het LTAD-model gaat daarbij uit van een taakgerichte in plaats van een prestatiegerichte opleiding. Het model geeft trainers dus handvatten per leeftijdsfase in termen van globale doelstellingen voor het inrichten van
trainingsomgevingen.

Als wij nu eens teruggaan naar de vraag van Petersen, moeten wij het winnen niet minder belangrijk maken. Ik denk dat dit inderdaad een eerste begin is. Bij de focus op winnen, loop je op de eerste plaats tegen het gegeven aan dat een fout het wedstrijdresultaat in de weg kan staan. Kinderen zullen fouten gaan mijden en daardoor in het vervolg uitdagingen uit de weg gaan. Op de tweede plaats, Petersen geeft dit al aan, leidt een focus op winnen er toe dat trainers kiezen voor de oudere spelers in een leeftijdscategorie. Hierdoor ontstaat een versmalling van die piramide die talentontwikkeling heet en houden wij aan de top op termijn wellicht minder grote talenten over. De BVO’s scouten vanuit eigen belang, om niemand te missen, nu op hele jonge leeftijd. De paradox van het vroeg scouten. Je zou je af kunnen vragen of zij, juist doordat vroeg scouten, niet juist talenten gaan missen en hebben gemist. De beste aanpak om talent te ontwikkelen? Ik zou zeggen zo veel mogelijk kinderen in hun ontwikkeling ondersteunen, begeleiden en faciliteren! En pas laat selecteren… aldus Joe Baker (Professor, York University (Toronto)

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s