Bronaanpak

Ik was net 17 toen ik, als assistent, mijn eerste team trainde en coachte. De meiden die ik trainde waren net iets jonger. Ik volgde een interne trainerscursus binnen de club. Af en toe kreeg ik wat documentatie mee om, ter voorbereiding, door te lezen. Heel geleidelijk mocht ik steeds meer onderdelen van de training verzorgen. Na iedere training had ik even een kort gesprekje met de hoofdtrainer over hoe het was gegaan en wat beter kon. Een jaar later trainde ik mijn eigen team. Ditmaal een jongensteam, andermaal spelers van ongeveer mijn eigen leeftijd. Dat seizoen volgde ik de ABO cursus, de algemene basis opleiding voor startende trainers. Een jaar daarna, andermaal, een jongensteam. Een team met daarin een van mijn broers. Ik dacht dat ik dit wel kon, als het maar leuk was. Bij ons op zolder stond een oude deur, de klinken waren er af. Als je die nu plat legt heb je een mooie gladde vloer, dacht ik. Mijn broer kreeg extra training.

In mijn voorlaatste blog beschreef ik al het hele proces dat ik doormaakte. Van fanatiek, bevlogen, gepassioneerd tot het moment dat ik mij realiseerde dat er meer was dan alleen de sport. Het moment dat ik mij besefte dat winst niet ging over winnen van de ander, maar dat winnen ging over beter zijn dan dat jezelf gisteren was. Het moment dat gewoon jezelf zijn ook helemaal prima was.

Turn

Toen ik afgelopen maandagavond met de trein naar huis reed explodeerde mijn timeline op Twitter. Het ging over niets anders dan de 2Doc documentaire Turn. Mensen spraken schande over de ouders, over de trainers. Sommigen konden de documentaire niet afkijken, zo erg was het. Ik heb Turn de volgende ochtend, voordat ik naar het werk ging, terug gekeken en ook ik schrok. Ik schrok van mezelf, want was die deur op zolder niet hetzelfde als die ringen die de vader van Wytze thuis op hing? In het volleybal trainde kinderen met een beetje talent, uit groep 8, gemiddeld al zo’n 18 uur per week.  Net als de vader uit de documentaire reed ik, ook door de weeks, op en neer naar de training. Ik weet nog een balletles. Onze kinderen waren toen nog erg jong. Het klonk leuk want dansen was leuk alleen de balletschool en met name de balletjuf was eng. Echt eng. Want waarom krijg je als peuter geen kleurplaat op het moment dat je bij de dans van de kleine zeemeermin en de balletjuf net heeft vertelt de zaal een diepe zee is en jij met tranen in je ogen zegt dat je nog niet kan zwemmen? Al in die ABO cursus leerde ik dat een kind niet speelt dat het een vliegtuig maar dat het echt een vliegtuig is. De balletjuf was notabene balletpedagoge.

Ik verbaasde mij over de verontwaardiging over de turnsport. Ik was voor in de 20, wij hebben het dan over de begin jaren 80 van de vorige eeuw, toen ik regelmatig de trainingen van Jong Oranje op Papendal bezocht omdat ik wilde leren van die trainers. Op Papendal trainde ook de turnselectie. Mij viel toen al op dat de kinderen die daar trainde wel heel erg jong waren en dat er best wel hard werd getraind. Fragmenten die ik in Turn zag, had ik destijds ook gezien. Al was daar destijds, dacht ik, toch ook wel sprake van plezier. Ik vond het destijds bijzonder, nu vond ik het vrij bizar.

Ik had echter wel te doen met de jonge trainers. Los van het feit dat ik wel vond dat zij dingen deden, dingen zeiden die werkelijk over de grens gingen van wat in mijn ogen normaal is, stonden zij daar wel, kwam vrij confronterend in beeld wat er allemaal mis ging. Zouden zij ook een interne trainerscursus hebben gevolgd vroeg ik mij af. Wie zou hen begeleiden? Zouden zij echt, diep in hun hart niet ook vinden dat het geen zij deden, het geen zij zeiden, niet oké was? Ik vroeg mij af of zij het zelf prettig hadden gevonden als zij op gelijke wijze waren bejegend, waren getraind Ik kwam tot de conclusie dat dit niet zo was. Niemand wil op dergelijke wijze getraind worden of aangesproken worden of dat er zo over jou gesproken wordt, toch?

Hospitalisatie

Tijdens mijn opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige heb ik onderzoek gedaan naar het begrip hospitalisatie. Ik heb destijds géén onderzoek gedaan naar de hospitalisatie van cliënten maar naar de hospitalisatie van collega’s. Het bleek dat binnen teams die heel erg lang samenwerken het professioneel samenwerken, het elkaar professioneel aanspreken, amper tot niet meer gebeurde. Men nam aan dat iedereen wist hoe er gewerkt moest worden. Er werden geen vragen gesteld bij de wijze waarop er gewerkt werd. Er was een cultuur ontstaan waarbinnen kritiek niet getolereerd werd. Nieuwelingen diende zich binnen die cultuur aan te passen, te conformeren. Ik werkte destijds, als verpleegkundige in opleiding, binnen zo’n team. Collega’s kwamen regelmatig bij elkaar over de vloer, kwamen op elkaars verjaardag en de zoon van één collega bleek getrouwd met de dochter van een andere collega. Samen op vakantie was heel normaal.
De thema’s op de agenda van het werkoverleg leken dan ook vaak elders al voor besproken. Een en ander had ook gevolgen voor de kwaliteit van zorg. Als ik daar, als nieuw binnen het team, vragen over stelde werd mij in eerste instantie keurig uitgelegd hoe het werkte en dat het goed was zoals het ging. Nadat ik vast bleef houden aan het stellen van kritische vragen, werd mij vertelt dat ik in opleiding was en dat ik voor een goede beoordeling toch echt van hen afhankelijk was. Uiteindelijk trok ik mijn conclusies en draaide mijn diensten en liet alles op zijn beloop. Wiens brood met eet, wiens taal men spreekt. Het was die glijdende schaal die ik ook terug zag in Turn. Hadden die trainers niet ergens ook ooit kritische vragen gesteld? Hadden zij, op enig moment, als startende trainers, niet ook bedacht dat het wel vreemd was zoals het allemaal ging?

Ook bij de ouders veranderde er iets. Het gevoel dat je hoopt dat juist het kind van de ander een fout maakt, herkende ik ook. Kijkend naar de trainingen hoop je dat juist een ander kind het fout doet. Ook ik herken zeker de trots op het moment dat je kind talentvol bleek te zijn. In Turn ging het van kwaad tot erger. Ik moest denken aan die deur op zolder waar wij thuis de duik oefende.  Ergens onderweg zag ik die spiegel. Sport was niet altijd leuk.

Gedragspatronen staan nooit op zich zelf. Leary zei het al, elke actie roept een reactie op. Net als op die afdeling waar ik als leerling verpleegkundige werkte zijn ook de mensen die daar werkte ooit met alle goede intenties begonnen en heel geleidelijk aan ontstonden er bepaalde, minder professionele gedragspatronen. Als we handelen, doen we dat altijd in interactie met onze omgeving. We kiezen een strategie binnen een spel van actie en reactie. Ik koos er dan ook destijds voor om mij, op de bewuste afdeling, aan te passen. Ik was namelijk voor mijn beoordeling inderdaad afhankelijk van wat zij van mij vonden. Er wordt nu luid geroepen om betere scholing. Dat lijkt logisch.

Arbeidshygiënische Strategie

Tijdens mijn opleiding Hogere Veiligheidskunde leerde ik dat er zoiets bestond als de arbeidshygiënische strategie. De arbeidshygiënische strategie gaat er vanuit dat je allereerst streeft naar bronaanpak. Als je een apparaat gebruikt dat om wat voor reden ook een risico op letsel vormt ga je eerst kijken of het apparaat niet vervangen kan worden door een minder gevaarlijk apparaat. Als die er niet is, gaan je over tot collectieve maatregelen. Zo is het wel handig dat de mensen die met dat apparaat werken wel leren hoe ze toch enigszins veilig met dit apparaat kunnen werken. Als collectieve maatregelen onvoldoende soelaas bieden ga je over tot individuele maatregelen. Zo zou je kunnen voorstellen dat niet iedereen met dat apparaat mag werken. Onder die individuele maatregelen valt ook zoiets als supervisie. Als ook dat onvoldoende tot verbetering van de veiligheid leidt ga je persoonlijke beschermingsmiddelen inzetten.

 

 

Deze strategie is op veel risico’s toepasbaar. Als wij nu eens deze manier van denken loslaten op de sport, op het geen wij in Turn zagen. Kunnen wij dan zeggen dat het beter scholen van trainers en ouders past binnen de bronaanpak? Ik denk dat de focus op scholing past binnen die collectieve aanpak. Scholing is natuurlijk prima maar wij doen dan eigenlijk aan symptoombestrijding. Wij lossen het onderliggende probleem niet op. Wij kunnen trainers leren dat plezier toch wel centraal moet staan. Wij kunnen ouders leren dat toch vooral het kind centraal staat en dat zij geen project op zich zijn. Als daar tegenover blijft staan dat wij kinderen steeds jonger selecteren. Als wij winnen, de competitie nog steeds en steeds jonger belangrijk maken. Als er binnen verschillende sporten sprake is van een beroepsperspectief. Als de mate waarin opleidingen van betaald voetbalclubs succesvol zijn afgemeten wordt aan de winsten die zij maken op het verkopen van opgeleide spelers, dan is er in de basis iets goed mis. Dan kan je scholen wat je wil maar dan is dat een druppel op de gloeiende plaat. Als wij ook hier uit zouden gaan van de bronaanpak dan heb je het over de cultuur van de sport.

Wondermiddel

Hoewel ik ook positieve reacties kreeg waren er ook mensen die mij vertelde dat er al heel veel gebeurde en dat ik geen wonderen moest verwachten. Dat klopt natuurlijk, als oud jeugdvoorzitter van een voetbalclub, als oud ambassadeur Positief Coachen, als schrijver van het boekje ‘Sport, niet altijd leuk!’, als oud redacteur van de Volley Techno heb ik mij al decennia bezig gehouden met juist de pedagogische kant van de sport. Ik schreef al dat ik lang geleden regelmatig op Papendal in de sporthal zat. Daar trainde de volleyballers van Jong Oranje. Op Papendal trainde ook de turnselectie. Wat mij opviel was dat het nog hele, hele jonge, meiden waren, dat zij hard en gedisciplineerd trainde. Ik vond dat, toen vrij normaal, want het woord Olympische Spelen viel regelmatig. Het ging ergens over. Voor het behalen van de top moet je wat over hebben. De KNGU is groot voorstander van het uitdragen en uitrollen van een pedagogisch sportklimaat. Dit is natuurlijk fantastisch! Ook de KNVB is keihard bezig met het realiseren van positief sportklimaat. Plezier wordt óók daar centraal gesteld. Bij de pupillen zijn de ranglijsten niet meer relevant, al heb je nog steeds fanatieke vaders die separaat de standen van de O8 bijhouden. Er wordt nog steeds gescout en jonge, hele jonge, kinderen worden nog steeds uit hun vertrouwde omgeving gehaald. Initiatieven om de sport kindvriendelijker te maken worden door oud gediende rücksichtslos met de wortel en al afgemaakt. Hierbij wordt er niet zelden zonder enig inhoud op de man gespeeld. Er zijn in het voetbal, maar ook in het basketbal clubs die hun jeugdteams uit de competitie halen.  Op IJsland hebben ze de selecties afgeschaft. Men is er daar van overtuigd dat vroegtijdig kokeren niet leidt tot betere voetballers op de lange termijn.

Er gebeurd van alles. De KNGU is al enige tijd bezig met het uitdragen en uitrollen van een pedagogische sportklimaat. Jaren geleden alweer heb ik mij ingezet voor het organiseren van de voorstelling “Wel winnen hè!” in onder andere schouwburg Orpheus in Apeldoorn. Een theater voorstelling waar ouders en trainers in een spiegel mochten kijken. Een voorstelling over de randen van jeugdsport. Binnen mijn eigen sport, het volleybal, zijn clubs en trainers echt hard aan het werk om plezier weer centraal te stellen. Toch selecteren wij ook daar nog steeds jonge kinderen en kennen wij ook daar een Open NK en een Gesloten NK voor de O12. Langs de lijn bij het volleybal ben ik niet heel vaak trainers en ouders tegen gekomen die over de schreef gingen. Wel werd ik ooit fors aangesproken door de voorzitter van de club toen ik, als trainer, tijdens de finaleronde van het NK, na een verloren wedstrijd, met mijn team buiten ging frisbeeën in plaats van een moeilijk teamgesprek te voeren. Hij vond het schandalig en dan druk ik mij nog zacht uit. De KNGU timmert echt hard aan de weg, maar de documentaire Turn, liet zien dat ook zij er nog niet zijn. Er gebeurd daadwerkelijk veel, maar wij zijn er nog niet. Nog dagelijks zien wij verhalen over ongewenst gedrag van ouders langs de lijn. Ook trainers laten zich niet zelden van hun minder goede kant zien. Recent werd er nog een jeugdwedstrijd door de scheidsrechter gestaakt omdat de trainer zich onaangepast gedroeg.

Veranderingen kosten tijd, veranderingen roepen weerstand op en ja ik zou wensen, als wij het over jeugdsport hebben er een wondermiddel zou zijn. Wij moeten vol inzetten op het ondersteunen van onze trainers. Trainers en ook ouders moeten zeker pedagogische training krijgen. Ik denk echter dat het dweilen met de kraan open is als wij het niet over de bron hebben, de sportcultuur.

 

Advertenties

Over CoachBert62

Ik ben een creatief denker, een pro-actieve mensgerichte coach, iemand met een helikopterview, iemand die snel kan schakelen.

Geplaatst op 13 oktober 2019, in Beleid, Coachen, Groepsproces, ongewenst gedrag, Spel, Spelplezier, Sport en getagd als , , , , , , , , , . Markeer de permalink als favoriet. Een reactie plaatsen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: