Auteursarchief: CoachBert62

Bronaanpak

Ik was net 17 toen ik, als assistent, mijn eerste team trainde en coachte. De meiden die ik trainde waren net iets jonger. Ik volgde een interne trainerscursus binnen de club. Af en toe kreeg ik wat documentatie mee om, ter voorbereiding, door te lezen. Heel geleidelijk mocht ik steeds meer onderdelen van de training verzorgen. Na iedere training had ik even een kort gesprekje met de hoofdtrainer over hoe het was gegaan en wat beter kon. Een jaar later trainde ik mijn eigen team. Ditmaal een jongensteam, andermaal spelers van ongeveer mijn eigen leeftijd. Dat seizoen volgde ik de ABO cursus, de algemene basis opleiding voor startende trainers. Een jaar daarna, andermaal, een jongensteam. Een team met daarin een van mijn broers. Ik dacht dat ik dit wel kon, als het maar leuk was. Bij ons op zolder stond een oude deur, de klinken waren er af. Als je die nu plat legt heb je een mooie gladde vloer, dacht ik. Mijn broer kreeg extra training.

In mijn voorlaatste blog beschreef ik al het hele proces dat ik doormaakte. Van fanatiek, bevlogen, gepassioneerd tot het moment dat ik mij realiseerde dat er meer was dan alleen de sport. Het moment dat ik mij besefte dat winst niet ging over winnen van de ander, maar dat winnen ging over beter zijn dan dat jezelf gisteren was. Het moment dat gewoon jezelf zijn ook helemaal prima was.

Lees de rest van dit bericht

Beroepsperspectief

Van je hobby je werk maken, wie wil dan nou niet? Bevlogen en gepassioneerd, zo was ik met mijn sport bezig. Op de middelbare school wilde ik enorm graag naar het CIOS, een baan in de sport. Van het trainen en coachen van sportteams mijn werk maken, dat was wat ik wilde. Ik leefde sport, sport was en misschien wel is, mijn passie. Ik was dag in, dag uit bezig met het maken van, het evalueren en verbeteren van de jaarplannen, de trainingen, de persoonlijke ontwikkelplannen. Ik bepaalde de beginsituatie van mijn teams. Ik bekeek wat er bereikt zou kunnen worden en maakte op basis van die informatie de route. Ik kon mij dan niet voorstellen dat er mensen waren voor wie het volleybal gewoon een hobby was. Ik kon mij niet voorstellen dat er nog iets anders kon bestaan naast het volleyballen. Ik kon mij niet voorstellen dat er mensen waren voor wie volleybal iets was van er bij, van leuk op de donderdagavond.

Ik vind van mezelf dat ik, door ervaring verstandig geworden, nu met wat meer distantie naar sport, naar mijn sport, het volleybal, kan kijken. Je kunt je afvragen of dat ook feitelijk zo is. Ik schrijf, denk nog dagelijks na, over het trainen geven, het coachen, het anderen beter maken dan dat ze vandaag zijn. Ik vind daar over het algemeen ook nog wel iets van. Een vriend zei mij ooit dat ik nogal pretentieus met sport omging. Ik schrok daar wel van. Dat pretentieus had zo negatieve lading. Ik denk echter wel dat het klopte. Ik wilde het beste van het beste. Ik wist wat goed was, tenminste dat vond ik. Ik speelde, als coach, 16x in de finale van een NK en was apetrots op mijn eerste pupil in Oranje.

Het CIOS is er nooit van gekomen. De schooldecaan vond dat destijds niet wijs plan. Met een CIOS diploma was je bijna beroepswerkeloze. Hij kende geen enkele oud leerling met een CIOS diploma die ook maar iets met dat diploma had gedaan. Voor mij kwam de MTS in beeld. Ik was goed in wis- en natuurkunde en klooide in mijn vrije tijd ook nog wel met oude radio’s en TV’s. Het bloed kroop waar het niet gaan kon. Ik volgde verschillende trainerscursussen, maar ook zoiets als een cursus sportmassage, een cursus neuro-training en een cursus mentale training en coaching. Ik wilde het uiterste er uit halen. Ik wilde mijzelf continu verbeteren. Zolang ik dat zelf maar bekostigde maakte niemand daar een probleem van. Als ik hierover echter met iemand in gesprek ging moest ik wel uitleggen waarom ik nu speciaal die cursus mentale training en coaching had gevolgd. Helemaal vreemd vond men wel dat ik de cursus recreatie sportleider A en de cursus sportmassage had gevolgd. Niet iedereen is zó fanatiek met zijn sport bezig, voor veel, heel meer mensen is sport gewoon een hobby. Voor veel, heel veel mensen zijn er ook vreselijk veel andere activiteiten die minstens zo leuk, zo niet leuker zijn. Dat een speler destijds de bruiloft van zijn zus belangrijker vond dat de PD wedstrijd van zijn team, ik kon daar met de pet niet bij. Het leverde mij een lading van kritiek op. Ik had niet begrepen dat sport gewoon voor 100% om plezier draait en dat er echt belangrijkere zaken zijn in het leven.

Jaren later leerde ik dat het pedagogische leerklimaat dat een trainer weet neer te zetten bepalend is voor het stoppen, dan wel doorgaan van een sporter met zijn sport. Dit gold niet alleen voor de meer recreatief ingestelde sporters, maar dit gold evenzeer voor de topsporters. Een sportklimaat dat al te zeer gericht was op prestaties leidde tot drop-outs. Met mijn fanatisme, met mijn interne drive tot perfectie, tot het willen winnen maakte ik de kans op drop-outs misschien wel groter? Na een goed gesprek met de man achter het onderzoek Volhouden of Afhaken, tijdens een studiedag van NL Coach, ging ik daar wel vraagtekens bij zetten. Was ik niet te fanatiek, te bevlogen met mijn sport bezig. Een sport burn out dreigde. Als gaan voor het resultaat, misschien wel averechts werkte, als de mensen om mij heen, mij hierom niet begrepen wat was het dan nog waard om daar mee bezig te zijn?

Laatst sprak ik een neef, 15 jaar en net over gestapt naar een andere vereniging. Waar er bij zijn oude vereniging nogal voor het resultaat werd gegaan en de  sfeer niet altijd fijn was, was het nu 180 graden anders. De sfeer was goed, het was fijn. Hij had geen spijt van de overstap. Op mijn vraag hoe de start van de competitie was geweest kwam een wat ontwijkend antwoord. De eerste wedstrijd werd met 12-0 verloren en ook de tweede werd verloren. Kennelijk was er iets anders dat het de moeite waard maakte om te sporten. Kennelijk deed deze trainer-coach iets heel bijzonders. Hij had amper voetbalervaring, had een starterscursus gevolgd maar wist op een of andere manier de  jongens te boeien. De man had ook geenszins de ambitie om van zijn hobby, want dat was het wel, zijn werk te maken. Het hield mij bezig. Hoe was het mogelijk dat een trainer met vrij weinig ervaring en specifieke kennis van de sport zijn spelers zo weten te raken en te motiveren dat zelfs een 12-0 verlies géén probleem was. Kennelijk waren er andere zaken belangrijk dan het tot op detail weten hoe alles binnen de sport werkte. Tactiek en een optimale techniek, waren veel minder belangrijk dan dat ik altijd dacht. Geen ingewikkelde analyses, geen ingewikkelde teamgesprekken.

In een eerder blog van de voetbalpupillentrainer geeft hij aan dat het trainersvak meer dan ooit recht heeft op een beroepsperspectief. Er wordt een vergelijking gemaakt met het onderwijs. Die vergelijking gaat mijns inziens mank. Het vak als onderwijzer is feitelijk een vak. Binnen dat vak kennen wij ook de leraren lichamelijke onderwijs, ook dat is een vak. Deze mensen verdienen een goede CAO én een goed salaris. In ons land kennen wij in de sport een verenigingsstructuur. Verenigingen gedraaid worden door vrijwilligers. Mensen die zich een slag in de rond werken, voor een appel en een ei en een Dank-je-wel avond aan het eind van het seizoen. De uitzondering hierop zijn de trainers, zij krijgen een vergoeding. Nu ontzegging ik niemand een beroepsperspectief en ja, ook ik vind dat wij enorm moeten investeren in de kwaliteit van trainers. Dit moet middels betaalbare trainerscursussen, middels een systeem van goede ondersteuning, maar ik vraag mij
inmiddels wel af of een beroepsperspectief wel past binnen de Nederlandse verenigingsstructuur. Ik vraag mij af of de toegankelijkheid van trainerscursussen ook gekoppeld moet worden aan het beroepsperspectief. Zou het niet kunnen zijn dat enig beroepsperspectief een prijsopdrijvend effect heeft op de kosten van dergelijke cursussen en dat daarmee de toegankelijkheid misschien wel vergroot wordt?
De KNVB heeft zijn jeugdtrainersopleidingen aangepast. “Met meer aandacht voor pedagogiek”, aldus Ab van de Velde, technisch jeugdcoördinator bij de KNVB. Daar is helemaal niets mis mee, maar die trainer van mijn neefje deed, zonder enige opleiding, misschien wel hele goede dingen, zonder dat daar een opleiding aan te pas was gekomen. Gewoon omdat de beste man, zich zelf niet belangrijker maakte en de sport, in dit geval het voetbal, wel heel goed wist te relativeren. Misschien ligt de uitdaging er wel in om, als wij werk willen maken van vitaliteit en onze gezondheid, werk wil maken van een levenlang sporten, juist niet te streven naar een beroepsperspectief voor al die trainers. Misschien is het wel veel belangrijker om eens kritisch te kijken naar onze sportcultuur. Wij kunnen investeren in een beroepsperspectief voor sporttrainers, wij kunnen pedagogiek onderdeel uitmaken van al die trainerscursussen, maar dat is allemaal symptoom bestrijding. Het is allemaal een druppel op een gloeiende plaat als wij al op hele jonge leeftijd het winnen centraal stellen, als wij al op hele jonge leeftijd kinderen afserveren als talentloos. Het is allemaal een druppel op de gloeiende plaat als wij kinderen als materiaal gaan zien en niet meer op de eerste plaats zetten. In Engeland, bij Salisburyrovers Footballclub hebben ze dat begrepen.

 

Negatief

Duncan won, namens Nederland, het Eurovisie Songfestival. Half Nederland viel echter over de commentator, Jan Smit. De man was onbeschoft, was negatief en had er geen verstand van.

“Dat uitgerekend hij iets moet zeggen over de vraag of iemand vals zingt of niet.”

Nu kan je daar wat van vinden en dat deed ik dan ook, maar ik kreeg direct terug dat hij tenminste wel de waarheid vertelde.
Smit is echt niet de enige die onder het mom van de waarheid publiekelijk iedereen te kakken zet. Bij VI doen ze dit al jaren en, gezien de kijkcijfers, met veel succes. Van de Gijp en Derksen braken al jaren wat hen goed deugd. Kantinepraat, wordt er dan gezegd, het valt allemaal wel mee. Nu geloof ik best dat mensen, als ze iets te veel op hebben, meer zeggen dat goed voor hun is maar om dat nu te cultiveren is wel erg goedkoop.

Lees de rest van dit bericht

Ouders

Het wordt een soort terugkerend fenomeen. Ouders liggen weer onder vuur. Werden ouders eerst aangeduid met de term Curling ouders als je eens kwam vragen hoe het met je kind ging. Sinds enige tijd weten wij ook dat er ouders zijn die keiharde chantagepraktijken hanteren om hun kind in het gewenste selectieteam te krijgen. Dat zijn geen curlingouders meer, dat zijn leden van een criminele organisatie die bij wet verboden zouden moeten worden.

De voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee. Niet alleen de voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee, ook bij bij DETO en Dos ’37 hebben ze hier ervaring mee. .Ouders zijn een soort onkruid, het woekert. Ook in het onderwijs heeft men moeite met ouders. Op een congres voor onderwijzers trok Pieter Derks, als nieuwbakken schoolpleinvader, het boetekleed aan. Heel nederig vertelde hij ná 1 jaar schoolplein ervaring tot de conclusie te zijn gekomen dat niet de werkdruk, de regels, de personeelstekorten een probleem zijn maar dat ouders het grootste probleem zijn. De moeder aller problemen zijn wij. De zaal met onderwijzers klapte enthousiast. Het was herkenbaar. Een ouder van een kind met een glutenallergie, dat ook nog hoogbegaafd was, was toch wel het ergste wat je kon overkomen. Zoek het lekker uit, was het motto.

Wij vinden allemaal ons kind uniek  en willen het aller beste voor ons kind. Een warm pleidooi om kinderen niet te pamperen, kinderen weer gewoon te zien als onderdeel van de klas, gewoon iedereen over een kam en dat hoog begaafde kind met een gluten allergie geef je gewoon een bakje water met maismeel want die kan er best zelf een koekje van maken.

“Je moet niet de weg voorbereiden op het kind, je moet het kind voorbereiden op de weg”

De weg is niet ideaal en daar moet een kind maar mee leren omgaan. Een waarheid als een koe. Als het fout gaat, dan gaat het maar fout daar leer je van. Het gaat er ook niet om hoe vaak je valt, het gaat er omdat je wel altijd weer op staat.

Nu gebeurd dat in de GGZ, de sector waar ik al jaren werkzaam ben ook, mensen voorbereiden op de weg, maar als het daar een keer mis gaat zeggen we niet, jammer joh, gewoon weer opstaan en opnieuw proberen.

Waarom zien wij kinderen maar ook cliënten binnen de GGZ als een soort homogeen samengestelde groep? Waarom zijn wij niet in staat om hier onderscheid in te maken? Waarom kunnen wij een mens niet als individu zien? Ook binnen de sport zijn wij niet in staat om kinderen als een individu te zien, wij zijn niet in staat om tegen een kind te zeggen, “jammer joh, volgende keer beter. Als je dat en dat nog weet te verbeteren.”

Het is al weer heel wat jaren geleden. Ik had een afspraak voor een 10 minuten gesprek met de meester van groep 8. Mijn oudste zoon had moeite met rekenen en ik wilde  graag met de leerkracht in gesprek over hoe hij, hoe wij, hem daar het beste bij konden helpen. Binnen 2 minuten ging de leerkracht over in een wervend verhaal over hoe hij de klas rekenen leert. Een betoog dat ik snel moest afkappen omdat een 10 minuten gesprek echt maar 10 minuten duurt en ik echt maar 1 kind in zijn klas had. De beste man wist even niet hoe nu verder. Hij was niet in staat om een kind als individu te zien. Hij zag, zo bleek, de klas als de som der gemene delers. Hij was vrij slecht in staat om te vertellen wat mijn zoon nu anders zou moeten doen, zelfs een beschrijving van de stand van zaken was, ondanks alle toetsen die uitgevoerd werden, natte vinger werk.

Ook de teamindeling bij voetbalclubs is veelal een subjectief gebeuren. Het is het beter gissen. Trainers hebben vaak geen idee hoe iemand presteert, laat staat hoe het proces er over de langere termijn inziet. Kinderen kunnen jaren lid zijn van een club maar toch elk jaar weer die selectietraining, alsof elke trainer zijn eigen wiel weer moet uitvinden. Trainers zijn, net als die leerkracht uit groep 8 in het geheel niet in staat om uit te leggen waarom een kind niet geselecteerd is en nog veel moeilijker blijkt het om een kind te vertellen wat hij of zij moet doen om het seizoen er na meer kans te maken om geselecteerd te worden.

Wil je als clubbestuur gemopper en gedoe voorkomen doe je er goed aan vooraf na te denken over waarom je doet wat je doet, waarom je de besluiten neemt die je neemt. Kortom zorg dat je goed beleid hebt en zorg dat je hier ook transparant over bent. Zorg voor  een overdracht van trainer naar trainer. Zie het kind als individu, lever maatwerk.

Heb je geen beleid,  is het proces van de teamindeling vaag en de communicatie over dat proces niet transparant dan roep je het commentaar over jezelf af. Kom uit die ivoren toren, communiceer met je ouders, met de jeugd. Ouders willen het beste voor hun kind, daar is niets mis mee, maar ouders kunnen best accepteren dat dit niet hun kind misschien niet de nieuwe Messi is. Denken dat je kind dat is terwijl zijn of haar talenten misschien wel heel ergens anders liggen wordt een kind en in het verlengde de ouders, ook niet gelukkig van. Kinderen, en ook ouders, willen wel uitleg. Waarom is een kind niet geselecteerd, wat kan het nog niet, wat zou het nog moeten leren? Dat is het minste dat je zou moeten kunnen vertellen. Laten wij de weg niet voorbereiden op de trainers en de clubbestuurders maar laten wij de trainers en bestuurders een voorbereiden op de weg.

Keuzes maken

Een discussie op Twitter met mijn goede vriend Remko Kenter, dè man achter de jeugdsuccessen van Sliedrecht Sport leverde mij de nodige stof tot nadenken. Aanleiding vormde het voorwoord van de hoofdredacteur van de Volley Techno. In zijn voorwoord luidde hij de noodklok over de afname van het aantal jeugdigen dat nog gaat volleyballen. Remco vroeg zich af of de bondsraad dit onderwerp niet op de agenda zou moeten zetten.

Ik vroeg mij af of dit niet méér een maatschappelijk probleem is dan een probleem dat alleen het volleybal raakt.  Remko is een warm pleit bezorger van het standpunt dat in het volleybal het spel aantrekkelijker gemaakt kan worden en dat daardoor de uitstroom in ieder geval minder zal worden. Wij kennen elkaar langer dan vandaag en ik bracht daar tegen in dat dat wij best wat meer vertrouwen mochten hebben in ons eigen product. Ik was lid van de landelijke werkgroep mini-volleybal toen het circulatie mini-volleybal werd geïmplementeerd. Voordat deze methodiek geïmplementeerd kon worden moest er al het nodige water door de Lek. Het spel dat decennia geleden door Adrie Noy werd bedacht moest eerst aangesloten worden op het mini-volleybal zoals wij dat sinds het mini-massaplan in ons land kende. Er moesten uniforme regels komen en er moest voor een ieder een logische en doorlopende leerlijn ontwikkeld worden. Dat logisch en doorlopend is de jaren daarna continu een punt van discussie geweest. Jaarlijks werden in de landelijke werkgroep de spelregels geëvalueerd en niemand keek verbaasd als bleek dat er ergens in ons land een regio was waar men, tussen de bestaande vaardigheidsniveaus, een extra niveautje toegevoegd was. Dat heette maatwerk. Het CMV, zoals dat later is gaan heten, leverde een enorme aanwas aan nieuwe leden bij de kinderen in de basisschoolleeftijd maar wat bleek voornamelijk meisjes wisten de weg richting de volleybalclub te vinden. Jongens gingen nog steeds voetballen, hockey, tennis, noem het maar, ze gingen wat anders doen. Het CMV was niet voldoende. Adrie verdiende een standbeeld maar Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: