Categorie archief: Beleid

Ongewenst gedrag

Na de uitzending van Boos over de seksuele intimidatie dat over jaren plaats kon vinden bij het programma The Voice, leek de beerput open te gaan. Ook de technisch directeur van Ajax had zich van zijn minst goede kant laten zien. Ook de voorzitter van de Politiebond maar ook een 2e kamerlid van Volt volgde. Of het allemaal over hetzelfde gedrag ging waag ik te betwijfelen. De overeenkomst is wel dat het ging over grensoverschrijdend gedrag en de relatie met macht.

Wanneer is gedrag grensoverschrijdend? Eigenlijk is dat niet heel ingewikkeld, als de ander het als ongewenst ervaart is het ongewenst. Nu komt daar nog wel wat bij. De ander moet wel aangeven dat het ongewenst is en daar wringt niet zelden de schoen, want stel je nu voor dat de ander jouw baas is, of de directeur. Tijdens mijn opleiding tot verpleegkundige heb ik onderzoek gedaan naar het functioneren van leerling verpleegkundige binnen, gehospitaliseerde, vastgeroeste teams. Binnen het team werkte collegae al erg lang met elkaar samen, kwamen bij elkaar over de vloer, gingen samen op vakantie. Besluiten werden overal genomen maar niet in bijvoorbeeld het werkoverleg. Het gevolg was dat professioneel aanspreken op, bijvoorbeeld de kwaliteit van zorg, waar je echt vragen over kon stellen, erg moeilijk was. De conclusie was dat de leerling verpleegkundige uiteindelijk er voor kiest om zich aan te passen, om niets meer te zeggen en soms zelfs mee te doen binnen de groepscultuur. Als je afhankelijk bent van het oordeel van de ander, omdat je baan of je opleiding ervan afhangt, ben je sneller geneigd om er maar niets van te zeggen of het probleem bij jezelf te zoeken.

Je zou verwachten dat mensen in zo’n positie zorgvuldig met hun ondergeschikten, met mensen die van hen afhankelijk zijn om zouden gaan. In de praktijk blijkt dit nogal eens tegen te vallen. Op een of andere manier vergeten wij regelmatig dat hij het hebben van macht ook verantwoordelijkheden horen. Ik heb mij wel eens afgevraagd of macht mensen ook veranderd. Ik denk het eerlijk gezegd wel. Het is die ivorentoren die, vermoed ik, maakt dat je ergens het zicht op de werkelijkheid kwijt raakt.

Het blijkt moeilijk om ongewenst gedrag bespreekbaar te maken. Het is al moeilijk om het bespreekbaar te maken bij degene om wie het gaat. Het lijkt moeilijk om dit met interne vertrouwenspersonen te bespreken. Zo heeft Ajax een interne vertrouwenspersoon, maar kennelijk zijn daar geen signalen binnen gekomen of in ieder geval te laat.

Naast interne vertrouwenspersonen zouden er ook externe vertrouwenspersonen moeten zijn. Toch worden ook zij vaak direct betaald door het bedrijf, de instelling. Zonder te twijfelen aan de integriteit van deze functionarissen, zou je vragen kunnen zetten bij de mate waarin zijn ten alle tijde onafhankelijkheid kunnen opereren.

Binnen de gezondheidszorg werken, verspreid over het land ongeveer vijfenvijftig pvp’en (Patiënten Vertrouwenspersonen) op locatie in instellingen en ziekenhuizen. Omdat de pvp in dienst is van de Stichting PVP, blijft hij onafhankelijk van de instelling waar hij werkt. De ondersteuning door een pvp is altijd gratis. ik zou mij kunnen voorstellen dat een dergelijke constructie ook binnen andere sectoren zou kunnen werken. Ook sportbonden, of vanuit NOC-NSF zou een netwerk van externe vertrouwenspersonen opgezet kunnen worden.

Om ongewenst gedrag bespreekbaar te maken, te voorkomen, is het denk ik, belangrijk dat er een open sfeer bestaat, dat ongewenst gedrag bespreekbaar is en daarmee bedoel ik niet op het niveau van de kleedkamerhumor. Dit zou de eerste ring zijn. Mocht dit niet mogelijk zijn of erg lastig, dan bestaat de tweede ring uit interne vertrouwenspersonen. Draag er zorg voor dat slachtoffers altijd een keuze hebben. Als de club naast heren en jongensteam, ook meisjes en damesteams kent, is het wat vreemd om alleen een mannelijke vertrouwenspersoon te hebben. Tot slot de derde ring, bestaande uit regionaal werkende externe vertrouwenspersonen, welke functioneren vanuit een sportbond dan wel het NOC-NSF.

Vroeg rijp, vroeg rot

Er is zo’n aanname dat alles wat goed is snel komt. Wij kennen echter ook dat gezegde van vroeg rijp, vroeg rot. Zijn wij in staat om al op hele jonge leeftijd te voorspellen welke kinderen op latere leeftijd gaan uitblinken? Er zijn veel kinderen die al heel jong het label ‘talent’ kregen die het bij nader inzien niet bleken te zijn.

Absoluut er zijn ook kinderen die al jong in beeld waren, talentvol bleken te zijn en op jonge leeftijd tot grote prestaties kwamen. Bjorn Borg was daar een voorbeeld van, ook Simone Biles is een sporter die op jonge leeftijd op wereldniveau presteerde. Ook mag in dit rijtje Bukayo Saka in dit rijtje niet ontbreken. Deze 19 jarige jongen stond in de finale van het EK en zou als laatste in de strafschoppen serie een strafschop nemen. Hij zou het voetbal terug naar huis brengen. Hij faalde en daarna viel een halve natie over hem heen. Tijdens de Olympische Spelen trok Biles zich op enkele onderdelen terug. Zij kon het niet meer aan. In de aanloop naar de Spelen was duidelijk geworden dat de zijn sexueel misbruik was door de ploegarts. Biles vroeg tijdens de Spelen ook aandacht voor de mentale druk die op jonge sporters gelegd wordt. Iets soort gelijks, speelde ook in de Nederlandse Turnwereld. Hier was, voor zover ik weet, geen sprake van sexueel misbruik maar bleken meerdere turnsters jaren lang geestelijk mishandeld, vernederd te zijn. Waar Biles tijdens een rechtzitting eerder deze week aangaf dat de FBI een oogje dicht had geknepen was het in ons land de bond zelf die, laten we zeggen, een oogje dicht hadden geknepen. Niet dat hier ook sprake was van seksueel misbruik, het ging in ons land meer om machtsmisbruik, om grensoverschrijdende trainingsmethodes. De bond zou hier al jaren van de op hoogte zijn geweest, maar niet hebben ingegrepen. Alles voor het resultaat. Uiteindelijk zette de bond een aantal trainers, hangende een onderzoek, op non actief. Iets wat kort voor de Olympische Spelen tot de nodige onrust leidde.

Inmiddels zijn de Spelen al weer lang achter de rug en moest ik, heel bijzonder, terug denken aan de marathon. De zilveren medaille van Nederland bij de mannen en hoe deze atleet zijn goede vriend, een Belg, stimuleerde om in de laatste kilometers het uiterste uit zich zelf te halen. Het plezier dat hij uitstraalde was voor mij het voorbeeld van de Olympische gedachte. Nog meer moest ik echter denken aan die belgische atlete die zich tijdens haar allereerste marathon plaatste voor de Spelen. Een vrouw die pas op latere leeftijd ging hardlopen en die in Japan pas haar tweede marathon ooit liep. Zij had nog geen idee hoe je nu zo’n marathon indeeld en toen zijn zag dat ze nog maar vijf kilometer behoefde te lopen dat ze dat is van huis naar de supermarkt , dat ga ik wel redden.

Wat mij al langere tijd enorm bezighoudt is de vraag of wij kinderen niet gewoon hun sport terug moeten geven. Gaat het niet heel simpel om bewegen en plezier in plaats van die focus op resultaat, op het vroeg labelen, in hokjes stoppen van kinderen. Is die ratrace met kinderen niet gewoon iets soort gelijks als een wapenwegloop? Iemand anders begint, jij bent bang dat je achter gaat lopen dus doe je mee, sterker je gaat net een stapje verder. De ander denkt, wat gebeurd mij nu en gaat weer een stapje verder, waarop jij je dan weer genoodzaakt ziet om op te reageren. Is het niet gewoon heel vreemd om onze volwassen normen en waarden op de jeugdsport te plakken?

In een recente column deed Thijs Zonneveld een oproep tot ‘een mentaliteitsverandering in de hele samenleving’. Een wat populitisch pleidooi volgde:

Het is een bizarre paradox. Aan de ene kant zijn we obsessief bezig met gezondheid, met IC-cijfers en met de besmettingsgraad. We kieperen miljarden en miljarden in de gezondheidszorg. 

Dit statement werd gevolgd door een oproep om meer aandacht en vooral geld te investeren in de sport. Iets waar je het nog mee eens kon zijn ook, alleen kwam daarna de dubbele bodem te voorschijn.

We pretenderen een land te zijn met een sportcultuur, maar dat is vooral omdat we ons blindstaren op de toptien van het landenklassement op de Olympische Spelen. Meejuichen met successen, dat kunnen we goed. Maar we stellen zelden de vraag hoe al die sporters op dat niveau zijn gekomen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat er in de toekomst ook sporters doorbreken. Bij veel sportbonden lopen de ledenaantallen, zeker onder jongeren, al jaren gestaag achteruit. De vijver wordt kleiner en kleiner, maar we zien het niet omdat we te druk zijn met onszelf te bewonderen in de medaillespiegel.  

Het aantal leden van sportbonden loopt inderdaad achteruit, maar misschien komt dit wel omdat sportclubs, bonden misschien wel te veel met die prijzen, die medailles kijken en vergeten dat niet sport een eerste levensbehoefte is maar spel en bewegen. Willen wij werken aan onze gezondheid, de ziekenhuisopnames naar beneden brengen, zitten wij niet te wachten om een grotere vijver en nog meer Olympische medailles, dan moeten wij aandacht besteden aan bewegen, aan het spel en in het verlengde aan het plezier. Wij moeten alles namelijk ook nog eens een levenlang volhouden.

 In beweging blijven - RIVM Corona Gedragsunit

Denken in achterstand, creëert achterstanden

Wij hebben het, zo langs de lijn, op de tribune, niet zelden over kinderen die minder getalenteerd lijken. Al eerder schreef ik een artikel over het feit dat wij bij de club onze eigen waarheid realiseren. Wij laten kinderen afvallen omdat een kind, volgens onze, subjectieve waarneming, minder talentvol is. Trainers selecteren ook niet op de lange termijn, ze bekijken met wie zij op de korte termijn, het beste zouden kunnen presteren. De kinderen die geselecteerd worden mogen meer trainen, krijgen ook betere trainers en zie hier de self fulfilling prophecy. Dat is wat wij talentontwikkeling noemen. Het probleem is ook niet dat wij kinderen hebben die op enig moment minder talentvol lijken en, op dat moment, misschien ook wel zijn. Het probleem is dat wij in ons land erg gewend om kinderen te vergelijken. Het is volstrekt normaal om van jongsaf kinderen te selecteren. Wij meten en vergelijken wat af. Ik weet niet hoe het jullie is, maar wij vergeleken vroeger geregeld onze cijfers na een toets met elkaar. Voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde vond ik dat niet zo’n probleem. Bij de vakken Engels en vooral Frans vond ik dat een stuk minder grappig. Het gebeurde niet zelden dat thuis gevraagd werd hoe anderen een toets gemaakt hadden. In de sport doen wij niet anders. Het hele idee van competitie is gebaseerd het vergelijken met anderen. Toch zijn ook daar de omstandigheden niet gelijk, niet iedereen heeft dezelfde trainingsomstandigheden, traint ook evenveel uren. In 1985 werd ik met mijn team 3e op het NK. De top 10 trainde een gelijk aantal uren. Het jaar daarna haalde ik niet eens de eindronde. Het jaar daarop werd ik 7e. Ondertussen trainde wij nog steeds 1x in de week, maar onze tegenstanders in de eindronde, allemaal 2 of meer keren per week. Het verschil was gemaakt. Alweer enige tijd geleden schreef ik een verhaal over Thijs. Thijs viel af bij de selectietrainingen. Zijn vriendje Sjors werd wel gelecteerd. Sjors kreeg een betere trainer, kreeg betere trainingsvoorzieningen en ging ook direct fors meer uren trainen. Na nog geen half jaar was Sjors beter dan Thijs. Thijs haakte na verloop van tijd, een illusie armer, af.

Ergens is vergelijken met anderen erg gewoon. Schieten wij er erg veel mee op? Helpt het ons veel verder?

Het zou helpen als wij allen gelijk waren, als de omstandigheden voor iedereen ook gelijk zouden zijn. Ik hoop dat het een open deur is als ik toch moet concluderen dat niet iedereen gelijk is, niet iedereen gelijke kansen krijgt, de omstandigheden voor niet iedereen gelijk zijn. Wat heeft vergelijken dan voor zin, behoudens dat de conclusie dat je weet dat iemand die 4x per week traint wellicht beter zal zijn dan iemand die slechts 1x per week traint?

In het onderwijs lijken testen het ultieme doel geworden. In plaats van het leren leren, de kinderen voor te bereiden op een volwaardige deelname aan de maatschappij worden kinderen dood gegooid met testen. Er moet gemeten worden. Ja, eens, meten is weten maar wat weten wij dan na een test? Meten wij dan wat een kind weet of meten wij direct de ondersteuning die het kind van huis uit mee krijgt mee? Meten wij ook het feit dat een kind thuis niet (altijd) de beschikking heeft over een computer of een rustige werkplek? Meten wij niet ook de mate waarin een kind stressgevoelig is mee en mocht een kind stress gevoelig zijn, meten wij dan ook waar dat door komt? Ik heb in mijn kennissenkring ouders die hoge cijfers enorm belangrijk vinden. Er moet gepresteerd worden. Onze samenleving draait nu eenmaal om presteren, om beter zijn dan de rest.

Uit onderzoeken weten wij dat een al te zeer gericht zijn om prestatie leidt tot drop outs. Kinderen, maar ook volwassen sporters stoppen dus vaker als hun trainer al te zeer gericht is op prestaties. Toen ik dat las vroeg ik mij af waarom kinderen toch ooit waren gaan sporten. Waarom gaan kinderen voetballen? Waarom gaan kinderen volleyballen of hockeyen, of misschien turnen? Ik ging als kind op volleybal omdat ik het spelletje leuk vond. Bij de club leerde ik vrienden kennen. Er zijn er ook die een bepaalde sport gaan beoefenen omdat vriendjes dat ook doen. Een enkeling gaat een sport doen omdat ouders die sport ook beoefenen. Ik geef toe, mijn jongste zoon ging volleyballen omdat het voor ons logistiek handig was. Ik was actief in het volleybal en ook onze andere twee kinderen volleybalde. Hij vond volleyballen echter niet echt leuk en stopte daar ook snel mee. Hierna is gaan tennissen. Op zich vond hij dit leuk alleen mocht hij alleen maar trainen. Tennis was zo’n moeilijke sport, hij moest eerst maar een jaartje of zo alleen gaan trainen. Die ontzettend foute gedachte was ook in het volleybal langere tijd zeer gangbaar. Ook in het volleybal vonden wij dat onze sport zo moeilijk was dat kinderen eerst maar eens een paar jaar moesten trainen voordat ze wedstrijdjes mochten spelen. Heel veel kinderen vonden het om die reden al heel snel niet heel erg leuk meer en haakje af. Na het tennissen volgde het voetbal en op dat moment vonden wij het niet heel erg leuk. Het was te hard, te zwaar maar …. ze mochten wel direct wedstrijdjes spelen. Belangrijker was, maar ik geef toe, het duurde even voor ik zover was, hij vond het fantastisch. Voetbal was leuk en niet onbelangrijk. Zijn vriendjes voetbalde. Geen enkel kind gaat een sport beoefenen met het voorop gezette plan om wereld of Olympisch kampioen te worden of er op termijn zijn of haar geld mee te gaan verdienen. Dat zijn doelen die veelste ver liggen. Het kan best op enig moment in beeld komen, maar dat zijn het wij, de ouders, de trainers die dergelijke vergezichten schetsen.

Ik ben altijd een trainer geweest die methodisch wilde werken. Wat kan mijn team op dit moment? Wat moeten ze nog leren (lees wat kunnen ze nog niet) en wat zou ik ze in een seizoen kunnen leren? Met die informatie maakte in een plan. Van week tot week beschreef ik wat er geleerd moest worden. Ook ik gebruikte testjes om te kunnen bekijken wat de stand van zaken was. Het enige verschil was dat ik géén vergezichten schetste, zelfs het winnen van wedstrijden was niet een doel. Ik heb altijd twee doelen gehad, dat was leren volleyballen en plezier voor iedereen in de groep. Los van dat plezier ging ik mij dat doel om te leren volleyballen uit van wat mijn spelers niet beheerste, wat ze niet konden. Ik was mij nog niet zo bewust van het feit dat alles wat je aandacht geeft groeit. Met andere woorden dat ik met al mijn aandacht op alles wat niet goed ging het misschien wel steeds minder goed ging en ik het dus goed aan het verprutsen was. Hockeycoach Marc Lammers legde dit ooit perfect uit.

In het verlengde hiervan bevindt zich ook de constatering dat denken in achteruitgang ook achteruitgang creëert. Begin dit jaar publiceerde het Brabants Nieuwsblad hier een artikel over.

Het échte probleem is niet het verschijnsel van leerachterstanden, maar het feit dat we het volstrekt normaal vinden dat we kinderen al van jongs af aan vergelijken en selecteren. Dat belemmert hun ontwikkeling.

Even verder op staat te lezen “Kinderen die steeds vergeleken worden met anderen en minder goed presteren, raken eerder gedemotiveerd. Een self fulfilling prophecy.” Hier gaat het een klein beetje over Thijs.

Dan wordt in het artikel geconstateerd dat het spreken in achterstanden niet alleen schadelijk is voor kinderen en hun ontwikkelingspotentieel, maar ook een belediging voor alle leraren en ouders die zich hebben ingespannen om te doen wat mogelijk is onder deze bizarre omstandigheden. Of het nu een belediging is voor leraren en ouders waag ik te betwijfelen. Het waren toch die leerkrachten en die ouders die steeds aan het vergelijken waren? Het zijn niet de kinderen die in net NOS journaal komen melden wat de gemiddelde CITO score dit jaar was. Hij zijn niet de kinderen die aan die CITO score een advies koppelen voor een eventuele vervolg opleiding. In de sport kennen wij diezelfde drang met betrekking tot meten, ook wij kennen dat ultieme meetmoment, de selectietraining. Het verschil met het onderwijs is dat wij in de sport kinderen direct afserveren. Thijs haakte uiteindelijk af. Wij blijven ook in de sport ronddobberen in een heel fout paradigma. Wij gaan er volledig aan voorbij dat ontwikkeling niet lineair verloopt. Elke ontwikkeling heeft zijn eigen tempo. Iedereen krijgt vroeg of laat te maken met tegenslag, haperingen maar ook versnellingen.

Het denken in achterstand, creeërt achterstanden. Gaan wij uit van kinderen die het op enige moment wel kunnen en zetten wij dat af tegen kinderen die het niet kunnen creëren wij onze eigen waarheid en daarmee doen wij kinderen echt te kort. Wij leven onze eigen waarheid, volledig in de mist van waar wij varen. Het wordt tijd dat wij ophouden met selecteren, met kinderen af te schrijven voor ze nog begonnen zijn zich te ontwikkelen.

Varen bij slecht zicht of mist - Varen doe je samen

Onder inmense druk

Deze week waren velen verbaasd door eerst het statement van Noami Osaka en kort daarop het terugtrekken van Osaka bij Roland Garros. Osaka had, zo vertelde zij, erg veel moeite met de persconferenties na afloop van een wedstrijd. Als ze gewonnen had, oké dat ging nog wel maar voor het doorzagen door journalisten ná een verloren wedstrijd. Dat raakte diep. Zij kon daar niet langer tegen. De toernooi organisatie reageerde direct na de aankondiging dat zij de persconferenties zou gaan mijden. Zij zou uit het toernooi worden gezet en zou daar bovenop nog een flinke boete krijgen. Je zou wat meer bijval verwachten van haar collegae maar nee, alleen Serena Williams snapte de situatie. Mannetjesputters als Djokovic en Nadal maar ook Barty hadden weinig begrip. Als je ziet hoe snel de toernooi organisatie reageerde en met welke maatregelen zijn dreigde, kan je daar met een beetje gevoel nog begrip voor opbrengen. Ik moest terugdenken aan een aantal jaren geleden, het moment dat enkele wielrenners hun nood klaagde over een levensgevaarlijk parcours waar de wedstrijd organisatie de renners langs wilde sturen. Alles voor de kijkcijfers, er even aan voorbijgaand dat wij met mensen te maken hebben.

In een artikel op Nu.nl braken enkele sportpsychologen een lans voor Osaka. Het was dapper wat zij had gedaan en, zo dacht men, hier zouden tennissers op termijn hun voordeel mee kunnen doen. Osaka had een lans gebroken voor juist haar collega’s, zij wilde aandacht vragen voor de mentale gezondheid van tennissers. Tennissers zijn, je zou het bijna vergeten, ook mensen. Net als die wielrenners zijn zij geen instrument in handen van projectontwikkelaars die over de rug van sporters hun geld verdienen.

In een gesprek met vrienden over de actie van Osaka werd mijn standpunt keihard onderuit geschoffeld. Zo zat topsport nu eenmaal in elkaar en als je hier niet tegen kon je er maar beter niet aan beginnen. Ze verdiende genoeg, meer dan genoeg, ging mijn vriend in de overtreffende trap. Dit hoorde er nu eenmaal bij en hij zou er geen seconde minder om kijken. Ik was uitgekakt, hier kon ik niet tegenop. Nadat ik er wat langer over had nagedacht, kwam ik tot de conclusie dat hij misschien wel de kern van de zaak raakte. Het boeit ons als kijker, als consument, echt helemaal niks. Het ging om het vermaak en als sinds de gladiatoren in het oude Rome, boeide het de kijker echt geen drol dat de artiest er onder door ging. Wij willen ons identificeren met de winnaar. Iets niet goed kunnen, fouten maken, de wedstrijd verliezen, het wordt er al jong ingepompt, ingetrapt soms. Een wedstrijd is gelijk aan falen en falen is soms letterlijk dodelijk.

Top 5: De grootste gladiatoren | historianet.nl



Ik zag begin deze week de wedstrijd van Jong Oranje tegen Frankrijk. In de laatste minuut van de blessuretijd, op een 1-1 stand, besloot Justin Bijlow de bal niet bij zich te houden maar om de bal direct uit te spelen. De commentator had het niet over een geniale actie van de keeper, maar over het influisteren. De actie kon door de keeper zelf bedacht zijn. In de nabeschouwing ging het over het overzicht dat Stengs had en helemaal het geniale doelpunt van Boadu. Niemand had het meer over de actie waar alles mee begon. Keepers, verdedigers kunnen in het voetbal eigenlijk niets goeds doen. Houden ze een bal tegen, dan is dat dood normaal, hoort bij je taak, laten ze een speler lopen, tast de keeper mis, is het een doelpunt. Over de psyche van de keeper heb ik eerder een verhaal geschreven. Nadat de duitse keeper Robert Enke zich zelf van het leven had beroofd. Het keihard afstraffen van fouten, van vergissingen, zit er vroeg in. Langs de lijn bij een willekeurige pupillenwedstrijd doet pijn aan de ogen. In het volleybal hadden ze rond het maken van fouten zelfs een wedstrijdvorm gedacht. In het oude Circulatie volleybal kon je naar de kant als je de bal had laten vallen. Alles om kinderen te prikkelen geen fouten te maken. Als ik bang was geweest om te vallen, als mijn vader mij had vertelt nadat ik de eerste keer keihard op de grond was gevallen, had ik misschien wel nooit leren fietsen. Door fouten te maken leren wij, waar gewerkt wordt vallen spaanders. Het is dan ook veel belangrijker om niet zo spatisch met fouten, missers om te gaan, maar om er van te leren. Dat leren kost tijd en die tijd hebben wij niet. Wij leiden in heel veel sporten kinderen op die fouten het liefst willen mijden, die zelfs als een berg op zien tegen het bespreken van acties die misschien iets minder goed zijn verlopen. Soms bewust, maar ook vaak geheel onbewust, voeden wij angstige, foutenmijdende kinderen op. Het begint al met de vermaledijde selectietrainingen. Alsof wij met z’n allen een heel seizoen niet gekeken hebben, niet geluisterd hebben. Een soort CITO toets die niet zo zeer de huidige stand van zaken meet maar veel meer de mate waarin iemand in de ogen van de trainer het goed doet. Trainers selecteren niet op de lange termijn, die zijn niet bezig met dat punt op de horizon. Trainers zijn bezig met dat punt aan het eind van de straat, met hun eigen CV. Wij leiden met z’n allen kinderen op die vreselijk druk zijn om zich zelf met anderen te vergelijken, in plaats van met zich zelf te vergelijken. De enige vooruitgang die objectief en ook meetbaar is, is de vegelijking met jezelf. Winnen is ook niet winnen van de ander, van je tegenstander, winnen is winnen van jezelf. Elke dag beter worden dan dat je gisteren was.

Is jouw mindset vast of groeigericht? Doe de test! - HeartState


Terug naar Osaka en haar statement, de aandacht die zij vraagt voor de mentale gezondheid van tennissers. Een systeem is aan het denken gezet, denken sportpsychologen Jan Sleijfer en Kelly Dekker. Ik mag het hopen. Ik zou er voor willen pleiten om niet alleen binnen de tenniswereld eens na te denken over zoiets als mentale gezondheid, maar ook andere sporten aandacht te besteden aan de volledig doorgeschoten focus op foutloos resultaat sport. Prima dat je uiteindelijk wil winnen, maar laten wij leren fouten maken, laat ons vergissingen maken. Wij werken niet met een machine, wij hebben te maken met mensen. Ik zou Osaka enorm veel succes willen wensen en ik hoop dat de luiken bij tennissers als Djokovic, Nadal en Barty open gaan. Laten we de sport weer teruggeven aan de kinderen, aan de sporters, zonder die bemoeienis van sportbonsen, organisaties van wielerrondes, toernooi organisaties, zonder bemoeienis van rijke oliesjeiks of stinkend rijke oliegargen. Er zijn nogal wat sporten die volledig doorgeschoten zijn terwijl wij er met z’n allen bijstonden.

Dien je project in voor de Nationale Sportinnovator Prijs 2019 - Van  prestatie naar plezier - ZonMw

Clubhoppen

Op Facebook las ik recent een meer dan aardige post: “Clubhoppers: een bijzonder fenomeen”

Aan het eind van het seizoen, soms eerder, trainen of voetballen ze ineens mee: jeugdspelers van andere verenigingen uit de regio.Meestal een fanatieke ouder erbij. Nee, lid zijn ze nog niet, want ze willen eerst de zekerheid dat ze in de ‘selectie’ komen. Krijgen ze dat ja-woord niet, dan zoeken ze verder of blijven ze bij hun oude club. Het zijn vaak leuke spelers. Niet goed genoeg voor een BVO, maar het gras bij de buurman is voor de clubhopper toch net iets groener dan bij zijn eigen club. Die nieuwe club speelt misschien wel op divisieniveau! Wow, dat vindt de clubhopper stoerder dan zijn eigen club naar een hoger niveau brengen.De trainer van het selectieteam wil het nieuwe seizoen graag goed voor de dag komen. Hij is al snel erg enthousiast over de inzet en voetbalkwaliteiten van zíjn aanwinst. Daarmee kan hij presteren en trots door de kantine lopen.Dus trappen ze er met open ogen in. Altijd ten koste van andere spelers die dan maar een team lager moeten gaan spelen. Vaak zijn dit spelers die al jaren lid zijn en dat waarschijnlijk ook jarenlang zouden blijven.Het zal de clubhopper, diens ouders èn de trainer een worst wezen. Zij hebben het in ieder geval voor één of twee seizoenen goed voor elkaar! Waarna de clubhopper meestal weer verder trekt. Op zoek naar nog meer voetbalgeluk…Tel uit je winst!

Het bericht werd enkele malen gedeeld en diverse keren geliked. Terecht, als je het mij vraagt. Toch zette het mij wel aan het denken. Wat vond ik er van? Lag dit probleem ook echt bij die fanatieke voetbalouders? In de reacties ging het hier enkele keren over. Zo vond iemand het toch een raar fenomeen vinden dat voetbalouders hun identiteit en status halen uit de prestataties van hun kinderen. Een ander vond dat ouders de prestaties van hun kroost nu eenmaal door een roze bril bekijken. Ik miste de de zelfreflectie bij veel reacties. Wat was de rol van de clubs, van de trainers?

Volgens mij voorkom je het geschetste probleem alleen door werkelijk anders naar sport te kijken. Ik las recent dat Arsenal een jochie van 10 heeft vastgelegd. Geen mens die dan zegt ‘Belachelijk, is dit geen kinderarbeid? Moet dat kind niet gewoon lekker thuis met z’n vriendjes spelen?” Nee, in het voetbal is dit dood normaal geworden. Trainers zijn niet van de lange termijn, trainers zijn niet bezig met de ontwikkeling van het kind, die zijn bezig met de korte termijn, met hun kampioenschap, inderdaad met hun eigen CV! Bij gebrek aan een spiegel wijzen clubs, trainers, maar wat graag naar ouders.

Ouders zoeken niet zelden een soort compensatie voor vaak het eigen gebrek aan talent. Je hebt echter ook ouders die gewoon kwaliteit vragen van de trainer, de club, waar hun kind lid van is. Clubs hebben echter vaak gewoon geen idee van waar ze mee bezig zijn. Wat hun werkwijze doet met een kind. Het is zijn volwassenen die over de rug van kinderen slechts met zich zelf bezig zijn.

De film Turn gaf ons een aardig inkijkje in de Turn sport. Het waren zeker ouders die een rol speelde, maar ook trainers, clubs en sinds kort weten wij, ook bij de bond, hebben boter op hun hoofd en dat alles over de rug van jonge jonge kinderen. Dit soort beelden zijn met hetzelfde gemak óók in het voetbal te maken. Ook daar lopen trainers, bestuurders rond, die vrij weinig kaas gegeten hebben van pedagogisch verantwoord trainen, kindgericht werken.

Wat is overigens in Godsnaam is talent? Wij denken dit te weten, elke nitwit heeft een glazenbol. Kinderen zijn regelmatig geblesseerd, vroeg opgebrand, maar dat boeit die volwassenen niet, die zien dat als collateral damage.

Ik kijk nog steeds met verbazing rond in de voetbalsport. Wij hebben het vaak over ouders. Zeker, die spelen een rol, maar clubs, trainers, het hele systeem is hier debet aan. Je zou het ziek kunnen noemen. Plezier is in het voetbal volledig wegbezuinigd. In het voetbal draait het vaak maar om 1 ding, dat is resultaat, dat is de korte termijn. Er zijn zelfs mensen die denken dat plezier en resultaat ook aan elkaar gekoppeld zijn, zonder resultaat geen plezier. Dat, beste mensen is de weeffout die er voor zorgt dat kinderen afhaken, dat wij clubhoppers hebben. Werkelijk helemaal niets anders.

Week Tegen Pesten 2016: Wat kun je ertegen doen?- voor alle sporters en  sportclubs van Nederland

%d bloggers liken dit: