Categorie archief: Beleid

Denken in achterstand, creëert achterstanden

Wij hebben het, zo langs de lijn, op de tribune, niet zelden over kinderen die minder getalenteerd lijken. Al eerder schreef ik een artikel over het feit dat wij bij de club onze eigen waarheid realiseren. Wij laten kinderen afvallen omdat een kind, volgens onze, subjectieve waarneming, minder talentvol is. Trainers selecteren ook niet op de lange termijn, ze bekijken met wie zij op de korte termijn, het beste zouden kunnen presteren. De kinderen die geselecteerd worden mogen meer trainen, krijgen ook betere trainers en zie hier de self fulfilling prophecy. Dat is wat wij talentontwikkeling noemen. Het probleem is ook niet dat wij kinderen hebben die op enig moment minder talentvol lijken en, op dat moment, misschien ook wel zijn. Het probleem is dat wij in ons land erg gewend om kinderen te vergelijken. Het is volstrekt normaal om van jongsaf kinderen te selecteren. Wij meten en vergelijken wat af. Ik weet niet hoe het jullie is, maar wij vergeleken vroeger geregeld onze cijfers na een toets met elkaar. Voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde vond ik dat niet zo’n probleem. Bij de vakken Engels en vooral Frans vond ik dat een stuk minder grappig. Het gebeurde niet zelden dat thuis gevraagd werd hoe anderen een toets gemaakt hadden. In de sport doen wij niet anders. Het hele idee van competitie is gebaseerd het vergelijken met anderen. Toch zijn ook daar de omstandigheden niet gelijk, niet iedereen heeft dezelfde trainingsomstandigheden, traint ook evenveel uren. In 1985 werd ik met mijn team 3e op het NK. De top 10 trainde een gelijk aantal uren. Het jaar daarna haalde ik niet eens de eindronde. Het jaar daarop werd ik 7e. Ondertussen trainde wij nog steeds 1x in de week, maar onze tegenstanders in de eindronde, allemaal 2 of meer keren per week. Het verschil was gemaakt. Alweer enige tijd geleden schreef ik een verhaal over Thijs. Thijs viel af bij de selectietrainingen. Zijn vriendje Sjors werd wel gelecteerd. Sjors kreeg een betere trainer, kreeg betere trainingsvoorzieningen en ging ook direct fors meer uren trainen. Na nog geen half jaar was Sjors beter dan Thijs. Thijs haakte na verloop van tijd, een illusie armer, af.

Ergens is vergelijken met anderen erg gewoon. Schieten wij er erg veel mee op? Helpt het ons veel verder?

Het zou helpen als wij allen gelijk waren, als de omstandigheden voor iedereen ook gelijk zouden zijn. Ik hoop dat het een open deur is als ik toch moet concluderen dat niet iedereen gelijk is, niet iedereen gelijke kansen krijgt, de omstandigheden voor niet iedereen gelijk zijn. Wat heeft vergelijken dan voor zin, behoudens dat de conclusie dat je weet dat iemand die 4x per week traint wellicht beter zal zijn dan iemand die slechts 1x per week traint?

In het onderwijs lijken testen het ultieme doel geworden. In plaats van het leren leren, de kinderen voor te bereiden op een volwaardige deelname aan de maatschappij worden kinderen dood gegooid met testen. Er moet gemeten worden. Ja, eens, meten is weten maar wat weten wij dan na een test? Meten wij dan wat een kind weet of meten wij direct de ondersteuning die het kind van huis uit mee krijgt mee? Meten wij ook het feit dat een kind thuis niet (altijd) de beschikking heeft over een computer of een rustige werkplek? Meten wij niet ook de mate waarin een kind stressgevoelig is mee en mocht een kind stress gevoelig zijn, meten wij dan ook waar dat door komt? Ik heb in mijn kennissenkring ouders die hoge cijfers enorm belangrijk vinden. Er moet gepresteerd worden. Onze samenleving draait nu eenmaal om presteren, om beter zijn dan de rest.

Uit onderzoeken weten wij dat een al te zeer gericht zijn om prestatie leidt tot drop outs. Kinderen, maar ook volwassen sporters stoppen dus vaker als hun trainer al te zeer gericht is op prestaties. Toen ik dat las vroeg ik mij af waarom kinderen toch ooit waren gaan sporten. Waarom gaan kinderen voetballen? Waarom gaan kinderen volleyballen of hockeyen, of misschien turnen? Ik ging als kind op volleybal omdat ik het spelletje leuk vond. Bij de club leerde ik vrienden kennen. Er zijn er ook die een bepaalde sport gaan beoefenen omdat vriendjes dat ook doen. Een enkeling gaat een sport doen omdat ouders die sport ook beoefenen. Ik geef toe, mijn jongste zoon ging volleyballen omdat het voor ons logistiek handig was. Ik was actief in het volleybal en ook onze andere twee kinderen volleybalde. Hij vond volleyballen echter niet echt leuk en stopte daar ook snel mee. Hierna is gaan tennissen. Op zich vond hij dit leuk alleen mocht hij alleen maar trainen. Tennis was zo’n moeilijke sport, hij moest eerst maar een jaartje of zo alleen gaan trainen. Die ontzettend foute gedachte was ook in het volleybal langere tijd zeer gangbaar. Ook in het volleybal vonden wij dat onze sport zo moeilijk was dat kinderen eerst maar eens een paar jaar moesten trainen voordat ze wedstrijdjes mochten spelen. Heel veel kinderen vonden het om die reden al heel snel niet heel erg leuk meer en haakje af. Na het tennissen volgde het voetbal en op dat moment vonden wij het niet heel erg leuk. Het was te hard, te zwaar maar …. ze mochten wel direct wedstrijdjes spelen. Belangrijker was, maar ik geef toe, het duurde even voor ik zover was, hij vond het fantastisch. Voetbal was leuk en niet onbelangrijk. Zijn vriendjes voetbalde. Geen enkel kind gaat een sport beoefenen met het voorop gezette plan om wereld of Olympisch kampioen te worden of er op termijn zijn of haar geld mee te gaan verdienen. Dat zijn doelen die veelste ver liggen. Het kan best op enig moment in beeld komen, maar dat zijn het wij, de ouders, de trainers die dergelijke vergezichten schetsen.

Ik ben altijd een trainer geweest die methodisch wilde werken. Wat kan mijn team op dit moment? Wat moeten ze nog leren (lees wat kunnen ze nog niet) en wat zou ik ze in een seizoen kunnen leren? Met die informatie maakte in een plan. Van week tot week beschreef ik wat er geleerd moest worden. Ook ik gebruikte testjes om te kunnen bekijken wat de stand van zaken was. Het enige verschil was dat ik géén vergezichten schetste, zelfs het winnen van wedstrijden was niet een doel. Ik heb altijd twee doelen gehad, dat was leren volleyballen en plezier voor iedereen in de groep. Los van dat plezier ging ik mij dat doel om te leren volleyballen uit van wat mijn spelers niet beheerste, wat ze niet konden. Ik was mij nog niet zo bewust van het feit dat alles wat je aandacht geeft groeit. Met andere woorden dat ik met al mijn aandacht op alles wat niet goed ging het misschien wel steeds minder goed ging en ik het dus goed aan het verprutsen was. Hockeycoach Marc Lammers legde dit ooit perfect uit.

In het verlengde hiervan bevindt zich ook de constatering dat denken in achteruitgang ook achteruitgang creëert. Begin dit jaar publiceerde het Brabants Nieuwsblad hier een artikel over.

Het échte probleem is niet het verschijnsel van leerachterstanden, maar het feit dat we het volstrekt normaal vinden dat we kinderen al van jongs af aan vergelijken en selecteren. Dat belemmert hun ontwikkeling.

Even verder op staat te lezen “Kinderen die steeds vergeleken worden met anderen en minder goed presteren, raken eerder gedemotiveerd. Een self fulfilling prophecy.” Hier gaat het een klein beetje over Thijs.

Dan wordt in het artikel geconstateerd dat het spreken in achterstanden niet alleen schadelijk is voor kinderen en hun ontwikkelingspotentieel, maar ook een belediging voor alle leraren en ouders die zich hebben ingespannen om te doen wat mogelijk is onder deze bizarre omstandigheden. Of het nu een belediging is voor leraren en ouders waag ik te betwijfelen. Het waren toch die leerkrachten en die ouders die steeds aan het vergelijken waren? Het zijn niet de kinderen die in net NOS journaal komen melden wat de gemiddelde CITO score dit jaar was. Hij zijn niet de kinderen die aan die CITO score een advies koppelen voor een eventuele vervolg opleiding. In de sport kennen wij diezelfde drang met betrekking tot meten, ook wij kennen dat ultieme meetmoment, de selectietraining. Het verschil met het onderwijs is dat wij in de sport kinderen direct afserveren. Thijs haakte uiteindelijk af. Wij blijven ook in de sport ronddobberen in een heel fout paradigma. Wij gaan er volledig aan voorbij dat ontwikkeling niet lineair verloopt. Elke ontwikkeling heeft zijn eigen tempo. Iedereen krijgt vroeg of laat te maken met tegenslag, haperingen maar ook versnellingen.

Het denken in achterstand, creeërt achterstanden. Gaan wij uit van kinderen die het op enige moment wel kunnen en zetten wij dat af tegen kinderen die het niet kunnen creëren wij onze eigen waarheid en daarmee doen wij kinderen echt te kort. Wij leven onze eigen waarheid, volledig in de mist van waar wij varen. Het wordt tijd dat wij ophouden met selecteren, met kinderen af te schrijven voor ze nog begonnen zijn zich te ontwikkelen.

Varen bij slecht zicht of mist - Varen doe je samen

Onder inmense druk

Deze week waren velen verbaasd door eerst het statement van Noami Osaka en kort daarop het terugtrekken van Osaka bij Roland Garros. Osaka had, zo vertelde zij, erg veel moeite met de persconferenties na afloop van een wedstrijd. Als ze gewonnen had, oké dat ging nog wel maar voor het doorzagen door journalisten ná een verloren wedstrijd. Dat raakte diep. Zij kon daar niet langer tegen. De toernooi organisatie reageerde direct na de aankondiging dat zij de persconferenties zou gaan mijden. Zij zou uit het toernooi worden gezet en zou daar bovenop nog een flinke boete krijgen. Je zou wat meer bijval verwachten van haar collegae maar nee, alleen Serena Williams snapte de situatie. Mannetjesputters als Djokovic en Nadal maar ook Barty hadden weinig begrip. Als je ziet hoe snel de toernooi organisatie reageerde en met welke maatregelen zijn dreigde, kan je daar met een beetje gevoel nog begrip voor opbrengen. Ik moest terugdenken aan een aantal jaren geleden, het moment dat enkele wielrenners hun nood klaagde over een levensgevaarlijk parcours waar de wedstrijd organisatie de renners langs wilde sturen. Alles voor de kijkcijfers, er even aan voorbijgaand dat wij met mensen te maken hebben.

In een artikel op Nu.nl braken enkele sportpsychologen een lans voor Osaka. Het was dapper wat zij had gedaan en, zo dacht men, hier zouden tennissers op termijn hun voordeel mee kunnen doen. Osaka had een lans gebroken voor juist haar collega’s, zij wilde aandacht vragen voor de mentale gezondheid van tennissers. Tennissers zijn, je zou het bijna vergeten, ook mensen. Net als die wielrenners zijn zij geen instrument in handen van projectontwikkelaars die over de rug van sporters hun geld verdienen.

In een gesprek met vrienden over de actie van Osaka werd mijn standpunt keihard onderuit geschoffeld. Zo zat topsport nu eenmaal in elkaar en als je hier niet tegen kon je er maar beter niet aan beginnen. Ze verdiende genoeg, meer dan genoeg, ging mijn vriend in de overtreffende trap. Dit hoorde er nu eenmaal bij en hij zou er geen seconde minder om kijken. Ik was uitgekakt, hier kon ik niet tegenop. Nadat ik er wat langer over had nagedacht, kwam ik tot de conclusie dat hij misschien wel de kern van de zaak raakte. Het boeit ons als kijker, als consument, echt helemaal niks. Het ging om het vermaak en als sinds de gladiatoren in het oude Rome, boeide het de kijker echt geen drol dat de artiest er onder door ging. Wij willen ons identificeren met de winnaar. Iets niet goed kunnen, fouten maken, de wedstrijd verliezen, het wordt er al jong ingepompt, ingetrapt soms. Een wedstrijd is gelijk aan falen en falen is soms letterlijk dodelijk.

Top 5: De grootste gladiatoren | historianet.nl



Ik zag begin deze week de wedstrijd van Jong Oranje tegen Frankrijk. In de laatste minuut van de blessuretijd, op een 1-1 stand, besloot Justin Bijlow de bal niet bij zich te houden maar om de bal direct uit te spelen. De commentator had het niet over een geniale actie van de keeper, maar over het influisteren. De actie kon door de keeper zelf bedacht zijn. In de nabeschouwing ging het over het overzicht dat Stengs had en helemaal het geniale doelpunt van Boadu. Niemand had het meer over de actie waar alles mee begon. Keepers, verdedigers kunnen in het voetbal eigenlijk niets goeds doen. Houden ze een bal tegen, dan is dat dood normaal, hoort bij je taak, laten ze een speler lopen, tast de keeper mis, is het een doelpunt. Over de psyche van de keeper heb ik eerder een verhaal geschreven. Nadat de duitse keeper Robert Enke zich zelf van het leven had beroofd. Het keihard afstraffen van fouten, van vergissingen, zit er vroeg in. Langs de lijn bij een willekeurige pupillenwedstrijd doet pijn aan de ogen. In het volleybal hadden ze rond het maken van fouten zelfs een wedstrijdvorm gedacht. In het oude Circulatie volleybal kon je naar de kant als je de bal had laten vallen. Alles om kinderen te prikkelen geen fouten te maken. Als ik bang was geweest om te vallen, als mijn vader mij had vertelt nadat ik de eerste keer keihard op de grond was gevallen, had ik misschien wel nooit leren fietsen. Door fouten te maken leren wij, waar gewerkt wordt vallen spaanders. Het is dan ook veel belangrijker om niet zo spatisch met fouten, missers om te gaan, maar om er van te leren. Dat leren kost tijd en die tijd hebben wij niet. Wij leiden in heel veel sporten kinderen op die fouten het liefst willen mijden, die zelfs als een berg op zien tegen het bespreken van acties die misschien iets minder goed zijn verlopen. Soms bewust, maar ook vaak geheel onbewust, voeden wij angstige, foutenmijdende kinderen op. Het begint al met de vermaledijde selectietrainingen. Alsof wij met z’n allen een heel seizoen niet gekeken hebben, niet geluisterd hebben. Een soort CITO toets die niet zo zeer de huidige stand van zaken meet maar veel meer de mate waarin iemand in de ogen van de trainer het goed doet. Trainers selecteren niet op de lange termijn, die zijn niet bezig met dat punt op de horizon. Trainers zijn bezig met dat punt aan het eind van de straat, met hun eigen CV. Wij leiden met z’n allen kinderen op die vreselijk druk zijn om zich zelf met anderen te vergelijken, in plaats van met zich zelf te vergelijken. De enige vooruitgang die objectief en ook meetbaar is, is de vegelijking met jezelf. Winnen is ook niet winnen van de ander, van je tegenstander, winnen is winnen van jezelf. Elke dag beter worden dan dat je gisteren was.

Is jouw mindset vast of groeigericht? Doe de test! - HeartState


Terug naar Osaka en haar statement, de aandacht die zij vraagt voor de mentale gezondheid van tennissers. Een systeem is aan het denken gezet, denken sportpsychologen Jan Sleijfer en Kelly Dekker. Ik mag het hopen. Ik zou er voor willen pleiten om niet alleen binnen de tenniswereld eens na te denken over zoiets als mentale gezondheid, maar ook andere sporten aandacht te besteden aan de volledig doorgeschoten focus op foutloos resultaat sport. Prima dat je uiteindelijk wil winnen, maar laten wij leren fouten maken, laat ons vergissingen maken. Wij werken niet met een machine, wij hebben te maken met mensen. Ik zou Osaka enorm veel succes willen wensen en ik hoop dat de luiken bij tennissers als Djokovic, Nadal en Barty open gaan. Laten we de sport weer teruggeven aan de kinderen, aan de sporters, zonder die bemoeienis van sportbonsen, organisaties van wielerrondes, toernooi organisaties, zonder bemoeienis van rijke oliesjeiks of stinkend rijke oliegargen. Er zijn nogal wat sporten die volledig doorgeschoten zijn terwijl wij er met z’n allen bijstonden.

Dien je project in voor de Nationale Sportinnovator Prijs 2019 - Van  prestatie naar plezier - ZonMw

Clubhoppen

Op Facebook las ik recent een meer dan aardige post: “Clubhoppers: een bijzonder fenomeen”

Aan het eind van het seizoen, soms eerder, trainen of voetballen ze ineens mee: jeugdspelers van andere verenigingen uit de regio.Meestal een fanatieke ouder erbij. Nee, lid zijn ze nog niet, want ze willen eerst de zekerheid dat ze in de ‘selectie’ komen. Krijgen ze dat ja-woord niet, dan zoeken ze verder of blijven ze bij hun oude club. Het zijn vaak leuke spelers. Niet goed genoeg voor een BVO, maar het gras bij de buurman is voor de clubhopper toch net iets groener dan bij zijn eigen club. Die nieuwe club speelt misschien wel op divisieniveau! Wow, dat vindt de clubhopper stoerder dan zijn eigen club naar een hoger niveau brengen.De trainer van het selectieteam wil het nieuwe seizoen graag goed voor de dag komen. Hij is al snel erg enthousiast over de inzet en voetbalkwaliteiten van zíjn aanwinst. Daarmee kan hij presteren en trots door de kantine lopen.Dus trappen ze er met open ogen in. Altijd ten koste van andere spelers die dan maar een team lager moeten gaan spelen. Vaak zijn dit spelers die al jaren lid zijn en dat waarschijnlijk ook jarenlang zouden blijven.Het zal de clubhopper, diens ouders èn de trainer een worst wezen. Zij hebben het in ieder geval voor één of twee seizoenen goed voor elkaar! Waarna de clubhopper meestal weer verder trekt. Op zoek naar nog meer voetbalgeluk…Tel uit je winst!

Het bericht werd enkele malen gedeeld en diverse keren geliked. Terecht, als je het mij vraagt. Toch zette het mij wel aan het denken. Wat vond ik er van? Lag dit probleem ook echt bij die fanatieke voetbalouders? In de reacties ging het hier enkele keren over. Zo vond iemand het toch een raar fenomeen vinden dat voetbalouders hun identiteit en status halen uit de prestataties van hun kinderen. Een ander vond dat ouders de prestaties van hun kroost nu eenmaal door een roze bril bekijken. Ik miste de de zelfreflectie bij veel reacties. Wat was de rol van de clubs, van de trainers?

Volgens mij voorkom je het geschetste probleem alleen door werkelijk anders naar sport te kijken. Ik las recent dat Arsenal een jochie van 10 heeft vastgelegd. Geen mens die dan zegt ‘Belachelijk, is dit geen kinderarbeid? Moet dat kind niet gewoon lekker thuis met z’n vriendjes spelen?” Nee, in het voetbal is dit dood normaal geworden. Trainers zijn niet van de lange termijn, trainers zijn niet bezig met de ontwikkeling van het kind, die zijn bezig met de korte termijn, met hun kampioenschap, inderdaad met hun eigen CV! Bij gebrek aan een spiegel wijzen clubs, trainers, maar wat graag naar ouders.

Ouders zoeken niet zelden een soort compensatie voor vaak het eigen gebrek aan talent. Je hebt echter ook ouders die gewoon kwaliteit vragen van de trainer, de club, waar hun kind lid van is. Clubs hebben echter vaak gewoon geen idee van waar ze mee bezig zijn. Wat hun werkwijze doet met een kind. Het is zijn volwassenen die over de rug van kinderen slechts met zich zelf bezig zijn.

De film Turn gaf ons een aardig inkijkje in de Turn sport. Het waren zeker ouders die een rol speelde, maar ook trainers, clubs en sinds kort weten wij, ook bij de bond, hebben boter op hun hoofd en dat alles over de rug van jonge jonge kinderen. Dit soort beelden zijn met hetzelfde gemak óók in het voetbal te maken. Ook daar lopen trainers, bestuurders rond, die vrij weinig kaas gegeten hebben van pedagogisch verantwoord trainen, kindgericht werken.

Wat is overigens in Godsnaam is talent? Wij denken dit te weten, elke nitwit heeft een glazenbol. Kinderen zijn regelmatig geblesseerd, vroeg opgebrand, maar dat boeit die volwassenen niet, die zien dat als collateral damage.

Ik kijk nog steeds met verbazing rond in de voetbalsport. Wij hebben het vaak over ouders. Zeker, die spelen een rol, maar clubs, trainers, het hele systeem is hier debet aan. Je zou het ziek kunnen noemen. Plezier is in het voetbal volledig wegbezuinigd. In het voetbal draait het vaak maar om 1 ding, dat is resultaat, dat is de korte termijn. Er zijn zelfs mensen die denken dat plezier en resultaat ook aan elkaar gekoppeld zijn, zonder resultaat geen plezier. Dat, beste mensen is de weeffout die er voor zorgt dat kinderen afhaken, dat wij clubhoppers hebben. Werkelijk helemaal niets anders.

Week Tegen Pesten 2016: Wat kun je ertegen doen?- voor alle sporters en  sportclubs van Nederland

Klikspaan

Ik had vroeger een jongentje in de klas, die bij alles wat zijn klasgenootjes deden, wat eigenlijk niet mocht, het ging vertellen aan de juf. Negen van de tien keer had zij niets gezien, maar een melding van ongewenst gedrag in de ogen van Bas, zo heette het jochie, was voor haar aanleiding tot onderzoek. Je kan je voorstellen dat Bas niet populair was in de klas.

Nu zal ik de laatste zijn om te zeggen dat ongewenst gedrag gewoon moet kunnen. Als het echt schokkend was, prima dat Bas naar de juf liep. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik dat lef niet had. Of kon jij het wel hebben als je zusje het nodig vond om bij je moeder te melden dat jij een koekje uit de koektrommel had gepakt terwijl dat niet mocht. Ik was pislink.

Gisteravond keek ik de wedstrijd van Ajax tegen Bergamo. Het was een mooie wedstrijd. Veel strijd, het spel golfde op en neer. Ajax speelde goed en dat is, voor ons land, ook voor een niet Ajax supporter goed nieuws. Ik heb mij echter groen en geel geergerd aan het theatrale gedrag van enkele spelers van Ajax. Zo deed talent Traoré alsof hij bijna doormidden geschopt was door Gosens, waarna de scheidsrechter de bal op de stip legde. De kroon spande in mijn ogen Antony, die heel oprichtig om een kaart ging smeken nadat zijn directe tegenstander aan zijn shirt had getrokken.

Ik kan mij hier beoorlijk aan ergeren. Deze spelers verdienen niet alleen hun brood met deze sport en je zou dit als ongewenst gedrag kunnen beschouwen richting de tegenstander. Ze hebben ook een voorbeeld functie. Ook kinderen en jongeren kijken naar deze wedstrijd, zien deze spelers als hun helden, hun voorbeeld en laten dit ongewenste gedrag ook doodleuk op zaterdag tijdens hun wedstrijd zien. Ik ben vijf jaar leider geweest van selectie jeugdelftallen en het smeken om kaarten was meer dan normaal. Gewoon op staan, je tegenstander een hand geven, wie doet dat nog. Natuurlijk worden er ook keiharde overtredingen gemaakt en daar moet hard ingrijpen, maar laten we met z’n allen eens dat overdreven gedrag, dat theater, dat smeken om kaarten, eens aanpakken. In plaats van een strafschop had Traoré gewoon een krijgen en ook Antony was degene die even vermanend toegesproken had moeten worden door de scheidsrechter. Als Traoré en Antony nu de enige waren, helaas wekelijks zien bij dit theater op TV.
“Even blijven liggen, kermen van de pijn.” Dat wordt spelers al jong geleerd. Het probleem voor scheidsrechters is dat het verschil soms maar moeilijk te zien is. Wanneer is er serieus iets aan de hand en wanneer is het theater. Scheidsrechters laten ook regelmatig gewoon doorspelen, terwijl een speler serieus geblesseerd op het veld ligt.

In 1965 deed de psycholoog Albert Bandura – bekend geworden van zijn sociaal-cognitieve leertheorie – een klassiek geworden onderzoek. In dit onderzoek toonde hij aan dat mensen agressieve gedragingen imiteren. In het experiment kregen kinderen van vier jaar een filmpje te zien waarin een volwassene een pop agressief bejegende. De eerste groep kinderen zag dat de volwassenen achteraf werd beloond door een andere volwassenen. De tweede groep zag dat de volwassene de les werd gelezen en de derde groep zag dat het gedrag van de volwassene zonder gevolgen bleef. Na vertoning van de film werden de kinderen in de gelegenheid gesteld om te spelen met de pop te midden van ander speelgoed. De kinderen uit de groep die hadden gezien dat de volwassene werd beloond voor zijn agressieve gedrag, vertoonden meer agressie, dan de kinderen die hadden gezien dat de volwassene was terechtgewezen. Kortom, als kinderen zien dat ongewenst gedrag positief beloond wordt is er een grotere kans dat zij dit gedrag ook elders laten zien.

We Observe and Nothing Else. | Albert Bandura's Bobo the Clo… | Flickr

Als de UEFA met de KNVB in haar kielzog nu echt werk wil maken van Fair Play, pak dan heel concreet dit volstrekt ongewenste gedrag aan! Ik ben daar echter pesimistisch over. Enige mate van maatschappelijk verantwoord gedrag is bij deze sportbonden ver te zoeken, maar wellicht komt het ooit goed. Dicherbij huis hebben trainers en clubs hier natuurlijk ook een taak. Ik prijs mij gelukkig, als elftalleider samengewerkt te mogen hebben met trainers die wars waren van theatraal, aanstellerig gedrag en helemaal het zeuren om kaarten. Gewoon wisselen ….

Theater Granada irriteert PSV'ers: 'Maar we hadden slimmer moeten zijn' |  NU - Het laatste nieuws het eerst op NU.nl

Ouders graag gezien

Vandaag een verhaal afgerond wat al even op de plank lag, maar wat vanwege de Coronacrisis was blijven liggen. Ik realiseer mij dat ouders op dit moment ook minder, of misschien wel helemaal niet op de club komen. Bij ons hebben wij voor de pupillen een soort drive-truth. Ouders rijden hier met de auto doorheen, zetten hun kind af en rijden door. Barbara Barend vond er wel wat van, het feit dat ouders niet meer op de club konden komen en deels heeft zij natuurlijk gelijk. Een vier ogen principe zal je als club nu echt anders moeten organiseren. Ouders zijn er op school ook niet de gehele dag bij. De situatie maakt dat wij het anders moeten organiseren. Dit wil niet zeggen dat ouders enorm belangrijk zijn.

Op Twitter trof ik, dus nu enkele maanden geleden, de volgende tweet van het account Sportief Besturen:

Voor veel bestuurders herkenbaar, wel of geen verplichte bardiensten voor ouders?

Hoe ’t kan werken lees je op:
https://www.tvsportplezier.nl/vereniging/doen-laten-verplichte-bardiensten/ …

Nieuwsgierig geworden heb ik de site bekeken. Op de pagina een artikel over de verplichte bardiensten van basketbalvereniging Locomotief uit Rijswijk. Onder de subkop ‘een andere tijd, een andere aanpak’ een wervend verhaal over de voordelen van het verplicht stellen van het draaien van de bardienst. Noem mij een geitenwollen sokken type, maar bij het woord verplicht stellen krijg ik kriebels.

Ik ben op mijn elfde begonnen met volleyballen. Op mijn 16 gaf ik, na een interne trainingscursus mij eerste team trainen. Nu, na 40 jaar later, vele opleidingen en cursussen, vele vrijwilligerstaken later, blijf ik er van overtuigd dat je mensen taken moet laten doen die bij hen passen, waar ze plezier aan beleven. Ik loop sinds een tijdje, naast het volleybal tegenwoordig ook rond als vrijwilliger binnen een voetbalvereniging. Andere club, andere tak van sport, maar er is een ding hetzelfde, het zijn allemaal mensen. Ik heb verschillende taken uitgevoerd, binnen verschillende verenigingen, verschillende sporten, zowel op verenigingsniveau, regionaal niveau als ook landelijk niveau. Ik ben sinds mijn zestiende actief als trainer/coach. Ik ben bij meerdere verenigingen lid geweest van de clubblad redactie, lid van verschillende technische commissies. Ik ben leider van voetbalelftal, lid van een werkgroep Sportiviteit en Respect. Ik ben ook redacteur van een magazine voor volleybaltrainers geweest en opleider van nieuwe trainers voor de sportbond. Er zijn zo nog wat andere taken die ik heb uitgevoerd. Ik ben dan ook absoluut voor de stelling dat ouders er niet vanaf komen met het droppen van hun kinderen, als was het een peuterspeelzaal. Ik vind dat wij af moeten van het maar consumeren. De sportvereniging, dat zij wij met z’n allen. Ik zeg echter altijd en dat vind ik ook echt, er zijn twee taken die je mij niet moet vragen, dat is het fluiten of vlaggen van wedstrijden en het draaien van een bardienst. Dat zijn taken die ik echt minder goed kan en die ik ook niet leuk vind. Ik ben niet een type dat vroeger in de kroeg rond hing, ik was in de sporthal en als het afgelopen was dan ging ik naar huis. Noem het saai, maar ook die mensen bestaan. Ook het fluiten of vlaggen van een wedstrijd laat ik graag aan anderen over. Ik kan dan niet, zie het niet snel genoeg en ik ben niet rechtlijnig genoeg om deze taak ook naar behoren uit te voeren.

Ik ben een van die mensen die vind dat apartheid bestaat, niemand is gelijk. Ieder mens is uniek, ieder mens heeft kwaliteiten. Maak daar als vereniging gebruik van! Bij de voetbalvereniging waar mijn jongste zoon voetbalt houden de algemeen coördinator van de leeftijdscategorie een intake gesprek met elk nieuw jeugdlid en ouder(s). In dat gesprek wordt duidelijk gemaakt dat de club van mening is dat wij met z’n allen de club vormen en dat van mij, als ouder, verwacht wordt dat ik wat doe voor de club. Ik mocht destijds ook aangeven wat mij leuk leek. Ik zit sindsdien in de clubredactie, in de werkgroep Sportiviteit en Respect en ben sinds twee jaar leider van een elftal en geloof me, het is fantastisch. Ook van mijn zoon werd verwacht dat hij activiteiten voor de club zou gaan doen. Hij is inmiddels keeperstrainer en fluit de wedstrijden van de pupillen. Hebben wij bij de voetbalclub het dan goed voor elkaar? Nee, die indruk heb ik nog niet, maar er wordt aangewerkt.

Als leider van het elftal organiseer ik diverse taken rondom het team. Zo organiseer ik het vervoer naar uitwedstrijden, het vlaggen van de wedstrijden en het wassen van de kleding. Niet dat ik dit allemaal zelf doe, ik zorg dat het gebeurd, waarbij ik zelf wel participeer in het vervoer en in het wassen van de kleding. Het vlaggen van de wedstrijden; daar heb ik het eerder al over gehad. Ik heb dat een keer gedaan en toen zei mij zoon: “Pap, serieus, dit moet jij echt niet meer doen”. Dit jaar moet ik ook er voor zorgen dat ouders de aan ons toebedeelde bardiensten gaan draaien en dat de spelers de wedstrijden fluiten van de aan ons toebedeelde pupillenteams. Als leider heb je soms een dagtaak. Ik vind het prima, want dit organiseren vind ik leuk. Al moet ik toegeven dat het soms  ook best lastig is.

Basisschool JP Waale Gorinchem - Ouders
%d bloggers liken dit: