Pamela

Nadat ik midden jaren 80 een clinic zag van een Amerikaanse volleybaltrainer was ik verkocht. Als startende trainer had ik zoveel nieuwe dingen gehoord, nieuwe oefeningen gezien, dat ik hier meer over wilde weten. Alles wat ik zag, wat ik hoorde, was zo anders dan wat ik gewend was. Hoe ik getraind was, zo anders dan de coaches die ik gehad had. Geen saaie oefeningen, geen lange wachtrijen, oefeningen die in 2x knipperen met de ogen uitgelegd waren en ook de aanwijzingen, zó simpel, zó to the point. Ik wilde hier meer over weten. E-mail was toen nog niet zo gangbaar, dus ik schreef deze trainer een brief. Niet rechtstreeks naar zijn huisadres, maar naar de Amerikaanse volleybalbond, in de hoop dat de brief doorgestuurd zou worden. De brief werd doorgestuurd en weken nadat ik mij brief had verstuurd viel er een groot pakket op mijn deurmat. In het pakket een brief en een tweetal boeken, boeken over het Amerikaans opleidingsmodel en een trainershandleiding voor beginnende trainer. In de handleiding veel oefenstof, drills, zoals ze dat noemen. Elke oefening had een naam, butterfly, around the world, Dog house, King of court of the Dig Queen of the Mountain. Elke oefening had een vaste organisatie, maar hierop kon je naar believen variëren. Het gebruik van die namen maakte de training al spannend, vond ik. Zoiets als het volleybalkamp dat ik ooit meemaakte met de titel “De avonturen van Robinson Crusoe”. Lees meer »

Advertenties

Achter op de fiets leer je niets

Onze kinderen konden al vroeg fietsen. Het achterop zitten was dan ook van korte duur. Ze vonden het feit dat ze konden fietsen veel te leuk. Er ging letterlijk een wereld voor hen open. De basisschool lag aan de andere kant van de stad.  Min of meer bewust gekozen, een Daltonschool in plaats van de reguliere basisschool in de buurt. De afstand betekende echter ook dat onze kinderen al jong een flink stuk moesten fietsen. Zij hadden natuurlijk achterop gekund, wij hadden er naast kunnen fietsen, maar zij vonden het leuk om voor ons te fietsen. Wij zorgde er voor dat ze op zicht en hoor afstand voor ons uit fietste. Zij moesten dus zelf bij het oversteken naar links en naar rechts kijken en bij een stoplicht stoppen.

Laatst in Engeland viel mij op dat nog vrij grote kinderen, de peuterleeftijd toch wel ontgroeit nog met een tuigje lopen. Zo’n leuk rugzakje met leiband. Loopt het kind weg, dan trek je even aan de leiband. In ons land minder van dit soort leibanden of het moet een hond zijn. Honden hebben in ons land, zelfs aangelijnd meer speelruimte dan mening kind in Engeland. In ons land zie je nog wel eens kinderen achterop of in zo’n mooie fietsbak, waarvan je denkt, kan dat kind niet zelf fietsen?Lees meer »

Opleiding niet vereist

Het nieuws haalde het 8 uur journaal, voetbal scholen schieten als paddenstoelen uit de grond en wat bleek ouders zijn nog bereid flink voor te betalen ook. In het journaal een reportage bij voetbalschool Kick, waar een jeugdtrainer van ADO nog wat bijverdiend. Geef hem eens ongelijk. Marijn de Vries brak ik haar column in de Trouw een lans voor de voetbalclubs. Een warm pleidooi voor de warme vereniging waar het plezier nog centraal staat. Geef haar eens ongelijk. John Volkers van de Volkskrant reageerde daar op Twitter op door te stellen dat hij vroeger 2,3 uur per dag voetbalde, grotendeels op straat. Dat aantal trainingsuren behaal je bij geen enkele voetbalclub. Geef hem eens ongelijk. Daarbij  die straat, dat is het nieuwe toverwoord binnen het voetbal. Een beetje club traint tegenwoordig op een teerpleintje in de buurt van het groene grasveld bij de club.

Mij bekroop mij een heel ander fenomeen. Een probleem dat ik bij veel clubs terug zie, namelijk het probleem van het vinden van kwalitatief goede trainers. In de slipstream van dit probleem speelt in mijn beleving dan ook nog het feit dat die trainers, als je ze al gevonden hebt, gigantische eisen hebben wat betreft het geen zij, al dan niet zwart, willen opstrijken. Dit gaat het niveau vrijwilligersvergoeding ver te boven. In een discussie die ik zelf heel recent had met een trainer werd aangegeven dat hij de investeringen die hij had gedaan toch ergens terug wilde verdienen.Lees meer »

Mindfuck

Het zal jullie niet verbazen, ik ben een warm voorstander van planmatig werken. Stap voor stap werken aan het verbeteren van de techniek, tactiek, conditie, noem het maar. Ik vind het werken met resultaten als kampioen willen worden, willen promoveren, niet degraderen, winnen van juist de derby, zinloos. Ik vertelde het al eerder, dit zijn doelen die ik als trainer niet onder eigen controle heb. Ik kan met twee vingers in de neus kampioen worden, niet omdat wij zó goed zijn, maar omdat de tegenstanders dramatisch veel slechter zijn. Ik kan degraderen en nog nooit zo’n goed seizoen hebben gehad.

Lees meer »

Naar links en naar rechts kijken

Ik ben brildragend, of misschien beter, ik draag contactlenzen. Nadat ergens op de middelbare school bleek dat ik niet goed op het bord kon kijken bleek ik al op jonge leeftijd een hulpmiddel nodig te hebben om door het leven te komen. Nu klinkt dat dramatischer dan het is, maar toen vond ik dat echt vreselijk. Het duurde dan ook niet lang voordat ik besloot over te stappen op contactlenzen. Genoeg over mijn handicap.

Wat mij al vroeg opviel was dat ik niet twee even slechte ogen had. Mijn rechteroog is wat beter dan mijn linker. Nu kon ik mij vergissen, maar mij viel op, dat ik niet de enige was. Hoe zou het toch komen dat mijn beide ogen niet even slecht waren? Ik kon er niets aan doen, maar moest denken aan het feit dat ik ook niet met beide handen even handig ben en ook niet zowel links als ook rechtsbenig ben. Waarom draaide ik altijd, in een drukke ruimte, mijn linkeroor naar de spreker om het beter te kunnen verstaan? Zou ik naast een voorkeur hand, een voorkeursbeen ook een voorkeursoor en – oog hebben?

Veel later kwam ik er achter dat dit feitelijk zo is. Ik ben rechtshandig en kan met rechts alles een stukje beter dan met links. Ik kan wel leren ook met links te schrijven, maar het blijft behelpen. Natuurlijk zijn er omstandigheden waaronder ik toch mijn linkerhand gebruik. Als ik de dop van een fles frisdank wil losdraaien pak ik de fles in mijn rechterhand en draai ik met mijn linkerhand de dop los. Ik ben daarin tegen linksbenig. Vraag mij niet om een bal met rechts te schieten, want dat ziet er onbeholpen uit. Als ik op de fiets stap zwaai ik mijn linkerbeen ook over het zadel. Mijn rechterbeen is mijn standbeen.

Terug naar mijn ogen. Hoe zien wij?
Wanneer er licht op je ogen valt komt dit terecht op je netvlies. Dit zit achter in je oog, aan de binnenkant van je oogbol. Het netvlies bestaat uit kegeltjes en staafjes die het licht opvangen en omzetten naar een elektrisch signaal. Dit signaal wordt vervolgens via de optische zenuw naar de visuele cortex in de hersenen vervoerd. Het beeld wat via een oog binnenkomt is eigenlijk een 2D plaatje. Het is daarom de taak van je hersenen om er een 3D beeld van te maken zodat je diepte kunt zien.

Er zijn twee belangrijke factoren die meespelen bij diepte zien. De eerste komt van je oogspieren. Namelijk, wanneer een object dicht bij je staat moeten je oogspieren harder werken (accomoderen) om het object scherp te zien dan wanneer het object ver weg staat. Dit is één informatie bron waar de hersenen gebruik van maken.

De tweede factor hangt samen met de overlappende gezichtsvelden van de ogen. Aangezien beide ogen een vrij breed gezichtsveld hebben (kijk maar eens recht naar voren en probeer dan de omgeving aan de zijkant waar de nemen, dit gaat best ver!), is er ook overlap tussen de gezichtsvelden van beide ogen. Hierdoor ziet bijvoorbeeld je linkeroog hetzelfde object als het rechteroog, alleen vanuit een iets ander perspectief. Omdat beide ogen een object vanuit een iets ander perspectief zien, ontstaat er een klein verschil tussen wat je linkeroog en wat je rechteroog ziet. Dit kleine verschil is voor de hersenen juist heel erg relevant. Want hoe dichter je bij een object staat, hoe groter dit verschil is. En deze informatie kunnen de hersenen gebruiken om een inschatting van de diepte te maken.

Wij zien dus diepte in de overlap van de twee gezichtsvelden. In de periferie is dat dus lastiger. Je zou je kunnen voorstellen dat een keeper bij een voorzet van de linkerkant natuurlijk moet kijken naar de positie waarvan de bal geschoten wordt, maar tegelijkertijd moet het het strafschopgebied dichterbij in de gaten moeten houden.

horizontaal perifeer zicht

Stel dat de keeper, zoals hierboven, een right motor eye heeft, ziet hij de bal dus later dan de bal die van rechts wordt geschoten. Hij kan zijn hoofd volledig in de richting draaien waaruit de voorzet verwacht wordt, maar mist dat wellicht het gebeuren naast zich in het strafschop gebied.

Een rechtsbuiten die langs de zijlijn loopt, een bal van linksachter krijgt aangespeeld, zou deze wel eens later kunnen zien, als hij een right motor eye heeft. Misschien moet hij wel anders lopen, of wellicht aan de andere kant van het veld moeten spelen?

Wij trainers denken vaak in het groot, in vaste patronen en oplossingen. Zou het goed zijn om meer uit te gaan van het individu en daarop ons spel baseren in plaats van dat wij onze spelers aanpassen aan het spel?

Motor Eye

Ik heb altijd een bijzondere fascinatie gehad voor die mensen die in mijn sport, destijds met name het volleybal iets niet konden. Waarom lukte het niet? Waarom ging het verkeerd? Ruim dertig jaar geleden heb ik mij verdiept in de vraag waarom sommige van mijn spelers, terwijl ze snapte wat ze deden, terwijl zij het zonder bal, prima konden uitvoeren, toch moeite bleven houden met het aanloopritme van de smash. Nu ben ik sowieso iemand die zich veel vragen stelt, maar dit stelde mij voor een lading aan vragen. Ik ben mij toen gaan verdiepen in de neurologie achter bewegen. Ik ben boeken gaan lezen over hoe wij leren bewegen, over zoiets als links- en rechtshandigheid. In het verlengde heb ik vijf jaar lang onderzoek gedaan. Ik deed testjes, als het buiten had gesneeuwd gingen wij voordat wij de zaal in gingen een glijbaantje. Ik keek dan goed welke voet iemand voor plaatste. Als de training afgelopen was keek ik hoe iemand op de fiets stapte, welk been stond op de grond en welke zwaaide hij over het zadel? Het aanleren van de smash, deed ik ook zonder dat ik het aanloopritme aanleerde. Hoe verliep het aanloopritme dan? Al dit soort dingen leverde een enorme hoeveelheid data op. Spelers konden in mijn beleving rechtshandig-rechtsbenig zijn dan was er niets aan de hand. Deze spelers kwamen bij het aanleren van het aanloopritme goed uit. Spelers konden ook linkshandig-linksbenig zijn. Ook dan was er niets aan de hand. De spelers die moeite hadden met het aanloopritme waren de spelers die rechtshandig-linksbenig bleken te zijn of de spelers die linkshandig-rechtsbenig bleken te zijn. Over dit ‘onderzoek’ en mijn bevindingen heb ik destijds een open brief geschreven naar de redactie van de Volley Techno, het magazine voor volleybaltrainers in Nederland en België. De reactie op mijn verhaal kwam van Toon Gerbrands. Toon gaf aan dat mijn onderzoek degelijk onderbouwd was en dat er zeker aanknopingspunten waren. Sterker, hij noemde in zijn reactie een speler uit de gouden ploeg van Atlanta die een dergelijk probleem had. Belangrijk was aan te sluiten bij de persoon zelf. Op advies van Toon heb ik later de cursus Neurotraining gedaan bij het Instituut Toegepaste Neurowetenschappen. Een cursus die bij mij, hoe kan het ook anders, weer meer vragen genereerde dan antwoorden. Ik zag plots de aanvaller op positie 4 (linksvoor) die eigenlijk altijd te laat kwam of, als hij op tijd was, in een dusdanig hoek op het net aanliep dat het bereik van zijn smash danig werd beperkt. Op positie 2, het zelfde verhaal, waarbij opgemerkt moest worden dat de speler die op 4 te laat was, het prima deed op positie 2. Ik ging nadenken over hoe nu kon komen dat je de bal toch echt, vanuit je ooghoeken moet hebben gezien, je hem toch niet zag of te laat zag. Er moest iets zijn, in het verlengde van dat links- en rechts. Zijn onze ogen altijd even goed? Ik was brildragend en tegenwoordig draag ik lenzen, maar ook mijn ogen zijn niet even slecht en daarin ben ik niet de enige. Net als met een voorkeursbeen, voorkeursarm, hebben wij ook een voorkeursoog en als wij iets goed willen horen draaien wij toch vaak hetzelfde oor richting de bron van geluid.

Als wij kijken, dan zien wij alles wat recht voor ons gebeurd vrij goed. Alles in de periferie is lastiger. Een speler met een left motor eye, zijn linkeroog is zijn voorkeursoog, staand op links aan het net, zal een set-up die van rechts komt, later in zijn gezichtsveld krijgen dan een speler met een right motor eye. Om die bal van rechts wel goed te kunnen zien zal hij, als van nature zijn hoofd, of zelfs zijn lichaam zo draaien dat hij de bal eerder, beter zal zien. Ik loop sinds een jaar of vier rond in het voetbal. Ook daar zie ik, als niet voetballer, opvallende dingen. Zaken waar ik dan, in het licht van bovenstaande, vragen bij zet. Een keeper, rechtshandig, rechtsbenig, met een left motor eye, stopt werkelijk elke strafschop die links van hem geschoten wordt. Een aanval die over rechts, voor hem links, opgebouwd wordt. Hij pakt de korte hoek, bij de voorste paal, levert meer problemen op, als de bal voor langs naar de inlopen speler bij de tweede paal geschoten wordt. Dan is de reactie langzamer en de kans op een doelpunt plots groter. Waarom? Waarom ziet een rechtsbenige rechtsbuiten, de speler die naast hem mee loopt richting de goal loopt niet? Waarom lukt het hem wel als hij eens een wedstrijdje aan de andere kant van het veld wordt gezet?

 

horizontaal perifeer zicht

Wij denken vaak in grootst gemene delers, toch zijn wij allemaal anders. Een aanvaller moet recht aanlopen en niet van buiten, verdedigers moeten laag staan, want als je rechtop staat komt je nooit meer naar de grond. Een keeper moet de korte hoek pakken en bij een strafschop in het midden van de goal staan. Het klinkt allemaal logisch, maar is het dat ook?

PPDV

Ruud Gullit haalde enkele weken geleden, op de social media, de time line van elke zich zelf respecterende sportliefhebber. Hij had bij Jeroen Pauw een boekje open gedaan over het niveau van de jeugdtrainers bij de vaderlandse voetbalvereniging. Wat deze trainers wekelijks op de mat legde was, laten we zeggen, ouderwets. Trainers kauwde te veel voor, ontwikkelde geen voetballers die zelf, de problemen, waar zij in het veld tegen aanlopen kunnen oplossen.  Nu loop ik regelmatig langs de velden en kom inderdaad coaches tegen die, soms met de beste bedoelingen, hun elftal bijstaan. Ik zie ook spelers die soms vertwijfeld naar de coach kijken en hem vragen wat zij moeten doen, hoe het muurtje neergezet moet worden, waar ze moeten gaan lopen, wie de directe tegenstander is.  Om nu te zeggen dat dit dus in algemene zin de wijze is waarop voetbaltrainers werken, het ging er bij mij niet. Uit de reactie op Social Media bleek dat de opmerkingen van Gullit hout sneden. Hij raakte een teer punt.

Was het dan nieuw wat hij naar voren bracht? Had Gullit het licht gezien. In geen geval. Achter het aloude praatje-plaatje-daadje volgde al heel snel het woord ‘vraagje’. Niet te snel met de oplossing komen. Niet te snel het antwoord geven, laat ze het zelf oplossen.
Na de uitvoering geef je vragenderwijs feedback. Dit kan op jonge leeftijd al door gesloten vragen te stellen, later ga je dan naar meer open vragen. Sporters leren nadenken over de beweging, de oefening, het tactisch probleem waar ze mee geconfronteerd worden.

Wij weten dat wij leren van 20% van wat wij horen. Die andere 80% gaat dus het ene oor in, het andere uit. Wij leren 50% van wat wij zien, maar ook horen. Het plaatje en het praatje. Wij leren 70% van wat wij hebben bediscussieerd met anderen, het reageren om het vraagje. Wij leren 80% van wat wij zelf hebben ervaren, dus van de oefening, het probleem zelf.

Voetbaltrainers, voor zover ze dit al niet doen, zou meer vragen moeten stellen dan antwoorden geven. In die zin kan je de comming out van Gullit wel zien als een soort wake-up call.

workshop-leertheorieen-24-728