Categorie archief: selectietraining

Denken in achterstand, creëert achterstanden

Wij hebben het, zo langs de lijn, op de tribune, niet zelden over kinderen die minder getalenteerd lijken. Al eerder schreef ik een artikel over het feit dat wij bij de club onze eigen waarheid realiseren. Wij laten kinderen afvallen omdat een kind, volgens onze, subjectieve waarneming, minder talentvol is. Trainers selecteren ook niet op de lange termijn, ze bekijken met wie zij op de korte termijn, het beste zouden kunnen presteren. De kinderen die geselecteerd worden mogen meer trainen, krijgen ook betere trainers en zie hier de self fulfilling prophecy. Dat is wat wij talentontwikkeling noemen. Het probleem is ook niet dat wij kinderen hebben die op enig moment minder talentvol lijken en, op dat moment, misschien ook wel zijn. Het probleem is dat wij in ons land erg gewend om kinderen te vergelijken. Het is volstrekt normaal om van jongsaf kinderen te selecteren. Wij meten en vergelijken wat af. Ik weet niet hoe het jullie is, maar wij vergeleken vroeger geregeld onze cijfers na een toets met elkaar. Voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde vond ik dat niet zo’n probleem. Bij de vakken Engels en vooral Frans vond ik dat een stuk minder grappig. Het gebeurde niet zelden dat thuis gevraagd werd hoe anderen een toets gemaakt hadden. In de sport doen wij niet anders. Het hele idee van competitie is gebaseerd het vergelijken met anderen. Toch zijn ook daar de omstandigheden niet gelijk, niet iedereen heeft dezelfde trainingsomstandigheden, traint ook evenveel uren. In 1985 werd ik met mijn team 3e op het NK. De top 10 trainde een gelijk aantal uren. Het jaar daarna haalde ik niet eens de eindronde. Het jaar daarop werd ik 7e. Ondertussen trainde wij nog steeds 1x in de week, maar onze tegenstanders in de eindronde, allemaal 2 of meer keren per week. Het verschil was gemaakt. Alweer enige tijd geleden schreef ik een verhaal over Thijs. Thijs viel af bij de selectietrainingen. Zijn vriendje Sjors werd wel gelecteerd. Sjors kreeg een betere trainer, kreeg betere trainingsvoorzieningen en ging ook direct fors meer uren trainen. Na nog geen half jaar was Sjors beter dan Thijs. Thijs haakte na verloop van tijd, een illusie armer, af.

Ergens is vergelijken met anderen erg gewoon. Schieten wij er erg veel mee op? Helpt het ons veel verder?

Het zou helpen als wij allen gelijk waren, als de omstandigheden voor iedereen ook gelijk zouden zijn. Ik hoop dat het een open deur is als ik toch moet concluderen dat niet iedereen gelijk is, niet iedereen gelijke kansen krijgt, de omstandigheden voor niet iedereen gelijk zijn. Wat heeft vergelijken dan voor zin, behoudens dat de conclusie dat je weet dat iemand die 4x per week traint wellicht beter zal zijn dan iemand die slechts 1x per week traint?

In het onderwijs lijken testen het ultieme doel geworden. In plaats van het leren leren, de kinderen voor te bereiden op een volwaardige deelname aan de maatschappij worden kinderen dood gegooid met testen. Er moet gemeten worden. Ja, eens, meten is weten maar wat weten wij dan na een test? Meten wij dan wat een kind weet of meten wij direct de ondersteuning die het kind van huis uit mee krijgt mee? Meten wij ook het feit dat een kind thuis niet (altijd) de beschikking heeft over een computer of een rustige werkplek? Meten wij niet ook de mate waarin een kind stressgevoelig is mee en mocht een kind stress gevoelig zijn, meten wij dan ook waar dat door komt? Ik heb in mijn kennissenkring ouders die hoge cijfers enorm belangrijk vinden. Er moet gepresteerd worden. Onze samenleving draait nu eenmaal om presteren, om beter zijn dan de rest.

Uit onderzoeken weten wij dat een al te zeer gericht zijn om prestatie leidt tot drop outs. Kinderen, maar ook volwassen sporters stoppen dus vaker als hun trainer al te zeer gericht is op prestaties. Toen ik dat las vroeg ik mij af waarom kinderen toch ooit waren gaan sporten. Waarom gaan kinderen voetballen? Waarom gaan kinderen volleyballen of hockeyen, of misschien turnen? Ik ging als kind op volleybal omdat ik het spelletje leuk vond. Bij de club leerde ik vrienden kennen. Er zijn er ook die een bepaalde sport gaan beoefenen omdat vriendjes dat ook doen. Een enkeling gaat een sport doen omdat ouders die sport ook beoefenen. Ik geef toe, mijn jongste zoon ging volleyballen omdat het voor ons logistiek handig was. Ik was actief in het volleybal en ook onze andere twee kinderen volleybalde. Hij vond volleyballen echter niet echt leuk en stopte daar ook snel mee. Hierna is gaan tennissen. Op zich vond hij dit leuk alleen mocht hij alleen maar trainen. Tennis was zo’n moeilijke sport, hij moest eerst maar een jaartje of zo alleen gaan trainen. Die ontzettend foute gedachte was ook in het volleybal langere tijd zeer gangbaar. Ook in het volleybal vonden wij dat onze sport zo moeilijk was dat kinderen eerst maar eens een paar jaar moesten trainen voordat ze wedstrijdjes mochten spelen. Heel veel kinderen vonden het om die reden al heel snel niet heel erg leuk meer en haakje af. Na het tennissen volgde het voetbal en op dat moment vonden wij het niet heel erg leuk. Het was te hard, te zwaar maar …. ze mochten wel direct wedstrijdjes spelen. Belangrijker was, maar ik geef toe, het duurde even voor ik zover was, hij vond het fantastisch. Voetbal was leuk en niet onbelangrijk. Zijn vriendjes voetbalde. Geen enkel kind gaat een sport beoefenen met het voorop gezette plan om wereld of Olympisch kampioen te worden of er op termijn zijn of haar geld mee te gaan verdienen. Dat zijn doelen die veelste ver liggen. Het kan best op enig moment in beeld komen, maar dat zijn het wij, de ouders, de trainers die dergelijke vergezichten schetsen.

Ik ben altijd een trainer geweest die methodisch wilde werken. Wat kan mijn team op dit moment? Wat moeten ze nog leren (lees wat kunnen ze nog niet) en wat zou ik ze in een seizoen kunnen leren? Met die informatie maakte in een plan. Van week tot week beschreef ik wat er geleerd moest worden. Ook ik gebruikte testjes om te kunnen bekijken wat de stand van zaken was. Het enige verschil was dat ik géén vergezichten schetste, zelfs het winnen van wedstrijden was niet een doel. Ik heb altijd twee doelen gehad, dat was leren volleyballen en plezier voor iedereen in de groep. Los van dat plezier ging ik mij dat doel om te leren volleyballen uit van wat mijn spelers niet beheerste, wat ze niet konden. Ik was mij nog niet zo bewust van het feit dat alles wat je aandacht geeft groeit. Met andere woorden dat ik met al mijn aandacht op alles wat niet goed ging het misschien wel steeds minder goed ging en ik het dus goed aan het verprutsen was. Hockeycoach Marc Lammers legde dit ooit perfect uit.

In het verlengde hiervan bevindt zich ook de constatering dat denken in achteruitgang ook achteruitgang creëert. Begin dit jaar publiceerde het Brabants Nieuwsblad hier een artikel over.

Het échte probleem is niet het verschijnsel van leerachterstanden, maar het feit dat we het volstrekt normaal vinden dat we kinderen al van jongs af aan vergelijken en selecteren. Dat belemmert hun ontwikkeling.

Even verder op staat te lezen “Kinderen die steeds vergeleken worden met anderen en minder goed presteren, raken eerder gedemotiveerd. Een self fulfilling prophecy.” Hier gaat het een klein beetje over Thijs.

Dan wordt in het artikel geconstateerd dat het spreken in achterstanden niet alleen schadelijk is voor kinderen en hun ontwikkelingspotentieel, maar ook een belediging voor alle leraren en ouders die zich hebben ingespannen om te doen wat mogelijk is onder deze bizarre omstandigheden. Of het nu een belediging is voor leraren en ouders waag ik te betwijfelen. Het waren toch die leerkrachten en die ouders die steeds aan het vergelijken waren? Het zijn niet de kinderen die in net NOS journaal komen melden wat de gemiddelde CITO score dit jaar was. Hij zijn niet de kinderen die aan die CITO score een advies koppelen voor een eventuele vervolg opleiding. In de sport kennen wij diezelfde drang met betrekking tot meten, ook wij kennen dat ultieme meetmoment, de selectietraining. Het verschil met het onderwijs is dat wij in de sport kinderen direct afserveren. Thijs haakte uiteindelijk af. Wij blijven ook in de sport ronddobberen in een heel fout paradigma. Wij gaan er volledig aan voorbij dat ontwikkeling niet lineair verloopt. Elke ontwikkeling heeft zijn eigen tempo. Iedereen krijgt vroeg of laat te maken met tegenslag, haperingen maar ook versnellingen.

Het denken in achterstand, creeërt achterstanden. Gaan wij uit van kinderen die het op enige moment wel kunnen en zetten wij dat af tegen kinderen die het niet kunnen creëren wij onze eigen waarheid en daarmee doen wij kinderen echt te kort. Wij leven onze eigen waarheid, volledig in de mist van waar wij varen. Het wordt tijd dat wij ophouden met selecteren, met kinderen af te schrijven voor ze nog begonnen zijn zich te ontwikkelen.

Varen bij slecht zicht of mist - Varen doe je samen

WC eend

Ik ging er altijd van uit dat kennis min of meer gelijk is aan macht. Daar moest ik enorm over nadenken toen,  al weer jaren geleden, een goede vriend van mij vertelde dat het er niet toe doet wat je kent, maar wie je kent. Kortom, vrienden waren veel belangrijker dan kennis en vaardigheden. Natuurlijk is netwerken ook een vaardigheid maar voor mij lag deze vaardigheid meer in het verlengde van de spreekwoordelijke kruiwagen.

Netwerken

Later leerde ik dat je netwerk inderdaad enorm belangrijk is. Vrijwel alle functies die ik heb mogen bekleden werd ik op gewezen door mensen vanuit mijn netwerk en eenmaal heb ik ook echt gebruik gemaakt van die spreekwoordelijke kruiwagen. Ik heb ook gebruik kunnen maken van die  kruiwagen, want toen ik niet meer wist wat ik later wilde worden, gestopt was met mijn studie, kon ik, via mijn vader aan de slag als administratief medewerker bij het rijks kadaster in Den Haag.

“Je gaat maar eens werken, misschien kom het inzicht later?”

Ook binnen de sport zijn het toch veelal de bekende namen, mensen kiezen hun mensen uit de inner circle en dat is logisch. Ons kent ons. Lees de rest van dit bericht

Ouders

Het wordt een soort terugkerend fenomeen. Ouders liggen weer onder vuur. Werden ouders eerst aangeduid met de term Curling ouders als je eens kwam vragen hoe het met je kind ging. Sinds enige tijd weten wij ook dat er ouders zijn die keiharde chantagepraktijken hanteren om hun kind in het gewenste selectieteam te krijgen. Dat zijn geen curlingouders meer, dat zijn leden van een criminele organisatie die bij wet verboden zouden moeten worden.

De voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee. Niet alleen de voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee, ook bij bij DETO en Dos ’37 hebben ze hier ervaring mee. .Ouders zijn een soort onkruid, het woekert. Ook in het onderwijs heeft men moeite met ouders. Op een congres voor onderwijzers trok Pieter Derks, als nieuwbakken schoolpleinvader, het boetekleed aan. Heel nederig vertelde hij ná 1 jaar schoolplein ervaring tot de conclusie te zijn gekomen dat niet de werkdruk, de regels, de personeelstekorten een probleem zijn maar dat ouders het grootste probleem zijn. De moeder aller problemen zijn wij. De zaal met onderwijzers klapte enthousiast. Het was herkenbaar. Een ouder van een kind met een glutenallergie, dat ook nog hoogbegaafd was, was toch wel het ergste wat je kon overkomen. Zoek het lekker uit, was het motto.

Wij vinden allemaal ons kind uniek  en willen het aller beste voor ons kind. Een warm pleidooi om kinderen niet te pamperen, kinderen weer gewoon te zien als onderdeel van de klas, gewoon iedereen over een kam en dat hoog begaafde kind met een gluten allergie geef je gewoon een bakje water met maismeel want die kan er best zelf een koekje van maken.

“Je moet niet de weg voorbereiden op het kind, je moet het kind voorbereiden op de weg”

De weg is niet ideaal en daar moet een kind maar mee leren omgaan. Een waarheid als een koe. Als het fout gaat, dan gaat het maar fout daar leer je van. Het gaat er ook niet om hoe vaak je valt, het gaat er omdat je wel altijd weer op staat.

Nu gebeurd dat in de GGZ, de sector waar ik al jaren werkzaam ben ook, mensen voorbereiden op de weg, maar als het daar een keer mis gaat zeggen we niet, jammer joh, gewoon weer opstaan en opnieuw proberen.

Waarom zien wij kinderen maar ook cliënten binnen de GGZ als een soort homogeen samengestelde groep? Waarom zijn wij niet in staat om hier onderscheid in te maken? Waarom kunnen wij een mens niet als individu zien? Ook binnen de sport zijn wij niet in staat om kinderen als een individu te zien, wij zijn niet in staat om tegen een kind te zeggen, “jammer joh, volgende keer beter. Als je dat en dat nog weet te verbeteren.”

Het is al weer heel wat jaren geleden. Ik had een afspraak voor een 10 minuten gesprek met de meester van groep 8. Mijn oudste zoon had moeite met rekenen en ik wilde  graag met de leerkracht in gesprek over hoe hij, hoe wij, hem daar het beste bij konden helpen. Binnen 2 minuten ging de leerkracht over in een wervend verhaal over hoe hij de klas rekenen leert. Een betoog dat ik snel moest afkappen omdat een 10 minuten gesprek echt maar 10 minuten duurt en ik echt maar 1 kind in zijn klas had. De beste man wist even niet hoe nu verder. Hij was niet in staat om een kind als individu te zien. Hij zag, zo bleek, de klas als de som der gemene delers. Hij was vrij slecht in staat om te vertellen wat mijn zoon nu anders zou moeten doen, zelfs een beschrijving van de stand van zaken was, ondanks alle toetsen die uitgevoerd werden, natte vinger werk.

Ook de teamindeling bij voetbalclubs is veelal een subjectief gebeuren. Het is het beter gissen. Trainers hebben vaak geen idee hoe iemand presteert, laat staat hoe het proces er over de langere termijn inziet. Kinderen kunnen jaren lid zijn van een club maar toch elk jaar weer die selectietraining, alsof elke trainer zijn eigen wiel weer moet uitvinden. Trainers zijn, net als die leerkracht uit groep 8 in het geheel niet in staat om uit te leggen waarom een kind niet geselecteerd is en nog veel moeilijker blijkt het om een kind te vertellen wat hij of zij moet doen om het seizoen er na meer kans te maken om geselecteerd te worden.

Wil je als clubbestuur gemopper en gedoe voorkomen doe je er goed aan vooraf na te denken over waarom je doet wat je doet, waarom je de besluiten neemt die je neemt. Kortom zorg dat je goed beleid hebt en zorg dat je hier ook transparant over bent. Zorg voor  een overdracht van trainer naar trainer. Zie het kind als individu, lever maatwerk.

Heb je geen beleid,  is het proces van de teamindeling vaag en de communicatie over dat proces niet transparant dan roep je het commentaar over jezelf af. Kom uit die ivoren toren, communiceer met je ouders, met de jeugd. Ouders willen het beste voor hun kind, daar is niets mis mee, maar ouders kunnen best accepteren dat dit niet hun kind misschien niet de nieuwe Messi is. Denken dat je kind dat is terwijl zijn of haar talenten misschien wel heel ergens anders liggen wordt een kind en in het verlengde de ouders, ook niet gelukkig van. Kinderen, en ook ouders, willen wel uitleg. Waarom is een kind niet geselecteerd, wat kan het nog niet, wat zou het nog moeten leren? Dat is het minste dat je zou moeten kunnen vertellen. Laten wij de weg niet voorbereiden op de trainers en de clubbestuurders maar laten wij de trainers en bestuurders een voorbereiden op de weg.

Overwerkt

Iemand die burn-out is, is lichamelijk, mentaal en ook emotioneel opgebrand. Er is geen energie meer. Het gaat niet meer. Ook kinderen kunnen burn-out zijn. April van het afgelopen jaar besteedde de NOS aandacht aan Fleur. Fleur was al op negenjarig leeftijd overspannen.  Het begon bij Fleur met hard werken. Teleurstelling, als er iets niet lukte, betekende voor haar nog harder werken om het goed te maken. Fleur stond steeds vroeger op, om te leren, huiswerk foutloos af te krijgen. Fleur maakte lange dagen. Fleur bleek niet de enige. Wat haar was overkomen, overkomt steeds meer kinderen, aldus
het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ). Kinderen ervaren nogal eens stress, veel stress. De oorzaak van het probleem moet gezocht worden in de steeds maar toenemende prestatiedruk. Kinderen hebben al op jonge leeftijd te maken met toetsen, waarop dan weer goed gescoord moet worden. Kinderen krijgen al op jonge leeftijd huiswerk en als ze op een sport zitten moeten ze daar ook goed presteren om een wedstrijdje te mogen spelen. Presteer je minder, zit je op de bank. Elk seizoen wordt wordt dan ook weer afgesloten met toetsen, de selectietrainingen, waar je maar weer moet laten zien wat je waard bent.

Lees de rest van dit bericht

Het team dat je verdiend

Het is een vrij eenvoudige rekensom. Sjors, 10 jaar oud, wordt geselecteerd voor de O12-1 van zijn vereniging. Dit team traint 3x per week, laten we zeggen, 1 uur. Zijn vriendje Thijs viel helaas af. Al moet ik toegeven, de meningen waren verdeeld. Thijs kwam in O12-2. Dit team trainde 1x per week, 1 uur. Na 5 weken heeft Sjors 15 uur getraind. Thijs heeft op dat moment 5 uur getraind. Na 40 weken, zeg maar  eind van het seizoen, heeft Sjors 120 uur getraind. Thijs heeft opdat moment 40 uur getraind. Thijs viel niet alleen af, hij heeft na 1 seizoen ook direct fors minder trainingsuren gemaakt dan zijn vriendje. Bij de club slagen ze er altijd wel in om voor de selectieteams goed opgeleide trainers, trainers met een trainersdiploma te vinden. Het team van Thijs had bij aanvang van het seizoen géén trainer. De O12-2 moest het de eerste anderhalve maand doen met wisselende trainers. Een aantal keren moesten ze samen trainen met de O12-3. Uiteindelijk bleek een vader van een van de jongens bereid het team te trainen.

Na 1 seizoen is Sjors een beter voetballer geworden, het gaat allemaal wat makkelijker dan aan het begin van het seizoen. Thijs is niet veel beter geworden. De technische commissie was tevreden, de selectietrainingen hadden de juiste teamindelingen opgeleverd. De beste jongens, zo werd geconcludeerd, zaten ook in de selectieteams. Thijs bewees met zijn progressie het gelijk van het systeem. Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: