Categorie archief: Spel

Doorgeschoten regels

Het jaar loopt op zijn eind, 2019 was, in het verlengde van 2018, een bewogen jaar. Ik ben blij dat 2019 er op zit en zie echt uit naar het nieuwe jaar. Afgelopen maand betekende ook een afscheid van de Volley Techno. Na jaren lid te zijn geweest van de redactie werd ik enige tijd na het afscheid van de redactie gevraagd om columns te schrijven.

Ook dit ligt nu achter mij. Ik sta niet meer in de zaal, ben inmiddels drukker in het voetbal dan in het volleybal. Het was de laatste maanden telkens zoeken naar een mooi thema. Toch blijf ik, in het voetbal, die volleyballer die het niet snapt.

Hoewel ik niet zo veel binding meer heb met het volleybal, viel mijn blik toch op een tweet van een goede volleybalvriend en overigens ook oud pupillentrainer, Daan Krijnen. Daan schreef het volgende:

De laatste 2 wedstrijden zouden we volgens schema tegen C1 resp C2 team spelen. In de praktijk werd dat tegen een B1 (zie eerdere tweet) resp C1. De invallersregels zijn bedoelt om jonge spelers kansen te geven. Maar zijn ze ook hiervoor? 

Voor niet volleyballers, in het volleybal kent men de volgende regel:

Een jeugdlid mag onbeperkt uitkomen in ieder hoger team dan waartoe hij reglementair behoort. Het is aan alle jeugdspelers toegestaan om zonder beperkingen uit te komen in dezelfde of een hogere leeftijdscategorie

Talentontwikkeling

De achterliggende gedachte is dat jeugdspelers ervaring op moeten kunnen doen op een hoger niveau en dat zij daarbij niet, zoals vroeger het geval was, het risico liepen om zich vast te spelen in een hoger team. Jeugd moet immers ook met leeftijdgenoten kunnen spelen. In de basis dus een prima regel. Jeugdspelers kunnen vaker volleyballen en ervaring op doen op een hoger niveau. Een speler van 16 kan je dus indelen in de B1 maar kan daarna vanaf de B1 in elk hoger team invallen. Hij kan derhalve een wedstrijdje spelen in de A3 maar ook in elke seniorenteam tot en met het 1e. Een jeugdspeler kan hierdoor op elk gewenst hoger niveau ervaring op doen. Dit is, in het kader van zoiets als talentontwikkeling, fantastisch.

De praktijk is echter weerbarstiger. Menig vereniging schrijft zijn beste jeugdspelers keurig in op het niveau waar zij conform hun leeftijd zouden moeten spelen maar laten deze spelers dan standaard in een hoger team uitkomen. Zo kan de B1 in de praktijk standaard in het 3e seniorenteam uitkomen, daar ervaring op doen maar en dan komt de aap uit de mouw, als de nood aan de man is, in elk team onder het 3e tot en met de B1 ingezet worden. Met andere woorden, als de A3 dreigt te degraderen of als de A1 kampioen zou kunnen worden, dan laat je gewoon de spelers uit het 3e opdraven. Reglementair is dit toegestaan, maar hier is die regel natuurlijk nooit voor bedoeld.

Afbeeldingsresultaat voor back to the future

 

Back to the futher 1

Het eerst team dat ik trainde was de B2 van een grote vereniging. In dat aller eerste jaar verliep het seizoen, laten we zeggen, goed. Wij stonden eerste en ruim boven onze eigen B1, maar hadden in het laatste competitieweekend, wel de winst van de B1, tegen onze directe concurrent, nodig om kampioen te worden. De B1 was dat jaar min of meer los zand. De winst van de B1 was derhalve geen zekerheidje. In overleg met de trainer van de B1 werd besloten “de B1 te helpen.” Zo sneed het mes mogelijk aan twee kanten. Spelers van mijn team zouden meespelen met de B1. Lang verhaal kort, de tegenstander van de B1 kwam er in die laatste wedstrijd niet aan te pas. Wij werden met de B2 dat seizoen kampioen. Je zou denken, dan krijg je de felicitaties, de complimenten, want als jonge, startende trainer, met nota bene de B2 kampioen worden, was een mooie prestatie. Niets was echter minder waar. De coach van onze concurrent, de coach van het team dat er in de wedstrijd tegen de B1 niet aan te pas kwam, had een klacht ingediend bij het bestuur van mijn vereniging. In reactie hierop werd ik, laten we zeggen, op het matje geroepen. Het bestuur had begrip voor de klacht en vond het niet erg sportief van mij dat spelers van mijn team hadden meegespeeld met de B1. Een smet op mijn blazoen. Ik snapte er niets van.

Wat had ik gedaan? Ik had niets gedaan wat in strijd was met de regels. Wij waren als B2 gewoon beter dan de B1 en wij hadden over het gehele seizoen gewoon de meeste wedstrijden gewonnen. Omdat je ook toen al hoger mocht invallen, was het meespelen van spelers van mijn team in de laatste wedstrijd van de B1 gewoon legitiem. Het was ook niet zo dat spelers van de B2 regelmatig met de B1 meespeelde. Dat was ook niet mogelijk, want in die tijd kon een speler zich nog vastspelen als hij vaak in een hoger team inviel. Het duurde echt maanden voordat ik dit een plek kon geven. Waarom was dit onsportief?

Back to the futher

Terug naar het heden. Wat destijds al onsportief werd gelabeld is tegenwoordig héél normaal. Sterker nog, het gebeurd niet één keer maar vaker en niet bij één team. De huidige regels maakt het, zeker voor de grotere verenigingen, mogelijk de betere jeugdspelers in alle hogere teams mee te laten spelen. Zij kunnen zich niet meer vastspelen. Een regel die met alle goede bedoelingen in het leven is geroepen, wordt regelmatig misbruikt. Een speler die de B leeftijd heeft, zijn wedstrijden standaard in een hoog seniorenteam speelt kan alle teams lager dan het team waarin hij speelt, laten we zeggen, helpen. Zo kan het gebeuren dat je denkt dat je tegen de B1 van de andere vereniging moet spelen maar in de praktijk tegen het 4e seniorenteam moet spelen. Gaat het altijd alleen om winnen? Tijd voor een evaluatie?

 

Gerelateerde afbeelding

Bronaanpak

Ik was net 17 toen ik, als assistent, mijn eerste team trainde en coachte. De meiden die ik trainde waren net iets jonger. Ik volgde een interne trainerscursus binnen de club. Af en toe kreeg ik wat documentatie mee om, ter voorbereiding, door te lezen. Heel geleidelijk mocht ik steeds meer onderdelen van de training verzorgen. Na iedere training had ik even een kort gesprekje met de hoofdtrainer over hoe het was gegaan en wat beter kon. Een jaar later trainde ik mijn eigen team. Ditmaal een jongensteam, andermaal spelers van ongeveer mijn eigen leeftijd. Dat seizoen volgde ik de ABO cursus, de algemene basis opleiding voor startende trainers. Een jaar daarna, andermaal, een jongensteam. Een team met daarin een van mijn broers. Ik dacht dat ik dit wel kon, als het maar leuk was. Bij ons op zolder stond een oude deur, de klinken waren er af. Als je die nu plat legt heb je een mooie gladde vloer, dacht ik. Mijn broer kreeg extra training.

In mijn voorlaatste blog beschreef ik al het hele proces dat ik doormaakte. Van fanatiek, bevlogen, gepassioneerd tot het moment dat ik mij realiseerde dat er meer was dan alleen de sport. Het moment dat ik mij besefte dat winst niet ging over winnen van de ander, maar dat winnen ging over beter zijn dan dat jezelf gisteren was. Het moment dat gewoon jezelf zijn ook helemaal prima was.

Lees de rest van dit bericht

Keuzes maken

Een discussie op Twitter met mijn goede vriend Remko Kenter, dè man achter de jeugdsuccessen van Sliedrecht Sport leverde mij de nodige stof tot nadenken. Aanleiding vormde het voorwoord van de hoofdredacteur van de Volley Techno. In zijn voorwoord luidde hij de noodklok over de afname van het aantal jeugdigen dat nog gaat volleyballen. Remco vroeg zich af of de bondsraad dit onderwerp niet op de agenda zou moeten zetten.

Ik vroeg mij af of dit niet méér een maatschappelijk probleem is dan een probleem dat alleen het volleybal raakt.  Remko is een warm pleit bezorger van het standpunt dat in het volleybal het spel aantrekkelijker gemaakt kan worden en dat daardoor de uitstroom in ieder geval minder zal worden. Wij kennen elkaar langer dan vandaag en ik bracht daar tegen in dat dat wij best wat meer vertrouwen mochten hebben in ons eigen product. Ik was lid van de landelijke werkgroep mini-volleybal toen het circulatie mini-volleybal werd geïmplementeerd. Voordat deze methodiek geïmplementeerd kon worden moest er al het nodige water door de Lek. Het spel dat decennia geleden door Adrie Noy werd bedacht moest eerst aangesloten worden op het mini-volleybal zoals wij dat sinds het mini-massaplan in ons land kende. Er moesten uniforme regels komen en er moest voor een ieder een logische en doorlopende leerlijn ontwikkeld worden. Dat logisch en doorlopend is de jaren daarna continu een punt van discussie geweest. Jaarlijks werden in de landelijke werkgroep de spelregels geëvalueerd en niemand keek verbaasd als bleek dat er ergens in ons land een regio was waar men, tussen de bestaande vaardigheidsniveaus, een extra niveautje toegevoegd was. Dat heette maatwerk. Het CMV, zoals dat later is gaan heten, leverde een enorme aanwas aan nieuwe leden bij de kinderen in de basisschoolleeftijd maar wat bleek voornamelijk meisjes wisten de weg richting de volleybalclub te vinden. Jongens gingen nog steeds voetballen, hockey, tennis, noem het maar, ze gingen wat anders doen. Het CMV was niet voldoende. Adrie verdiende een standbeeld maar Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: