Categorie archief: Spelplezier

Jongens moeten ravotten

Toen ik nog jong was, zo’n 50 jaar geleden speelde wij op de Vilters. De Vilters was een groot stuk braakliggend terrein waar anno 2017 menig projectontwikkelaar kwijlend bij had staan kijken. De Vilters was geen weiland, maar een groot stuk, onontgonnen land, met gras, struiken, hier en daar een boom. Een stukje grond dat er bij lag om ontdekt te worden en dat deden wij dan ook. Menig oorlog werd daar uitgevochten, hutten gebouwd, loopgraven gegraven en niemand die daar iets van zei. De regels bepaalde wij zelf. Was je gezien dan was je dood en in je hut, onder de grond, was je vrij. Het was fantastisch. Was het dan altijd leuk? Nee, als Wanne of zijn grotere broer meededen was het heibel. Zij wilde altijd de baas zijn en dat betekende altijd ruzie. Een blauw oog naar huis, een natte washand er op en de dag erna gewoon naar school.  Zelden of nooit deden er meiden mee. Meisjes waren stom, die hoorde er pas later bij. Daar speelde je in ieder geval nooit oorlogje mee, daar klom je niet mee in bomen, graafde je geen loopgraven mee, maakte je geen hutten mee.

Heel recent startte SIRE een campagne waarin gepleit wordt om jongens weer jongens te laten zijn. Jongens moeten stoeien, moeten in bomen klimmen, moeten hutten bouwen. Jongens moeten meer ravotten. De SIRE campagne legt een groot leed bloot. Tenminste dat doet het voorkomen, want waarom overheidsgeld besteden aan jongens die weer moeten leren om te ravotten? Het riep bij mij het beeld op van de huiler, aangespoeld op de kust bij Harlingen, zijn moeder kwijt, weer op krachten gekomen bij Lenie ’t Hart, die nu toch echt weer uitgezet moest in de vrije natuur om daar te leren wat het echte leven van een zeehond inhoud. Waarom moet SIRE nu een campagne optuigen om jongens weer aan het ravotten te krijgen? Zijn dan geen jongens die niks hebben met bomen klimmen, hutten bouwen, die niks hebben met ravotten en als ze bestaan, zijn dat dan mindere jongens? Mankeren die dan wat? Omgedraaid, zouden er meiden bestaan die niks met barbie hebben en die misschien in bomen klimmen, door loopgraven struinen, oorlogje voeren misschien wel fantastisch vinden? Als ze bestaan, zijn die dan minder meisje? Op dit moment wordt het EK voetbal voor vrouwen in ons land gespeeld, Het moest zo zijn. Ik heb van Oranje alle wedstrijden gezien en nog wat meer en ik weet echt 100% zeker er lopen daar echt een aantal meiden rond die vroeger weinig met poppen hadden en die ravotten echt fantastisch vonden. Hebben die meiden een serieus probleem? Aan de hand van de kijkcijfers, de marsen door de speelsteden te zien, denk ik van niet. Misschien zou SIRE eens een campagne moeten optuigen waarin wij leren dat ieder mens uniek is, ieder mens bijzonder en dat wij mensen wat minder over een kam moeten scheren.

De Zondebok

In teams waarin gepest wordt, kan het voorkomen dat het slachtoffer afhaakt, stopt met zijn of haar sport, zonder dat het onderliggende probleem daadwerkelijk is opgelost. Dit is als een zwerende wond, die hoe langer je deze niet behandeld, meer pijn gaat doen, meer gaat ontsteken.

Een groep waarin gepest wordt, waarin iemand structureel als zondebok gezien wordt, zal gaan leren dat het kennelijk loont  om iemand buiten te sluiten. Het wordt normaal om iemand die je, zo op het oog niet nodig hebt, te kleineren, buiten te sluiten, aan de kans te zetten. Want vroeg of laat haakt die af, probleem opgelost.
Er ontstaat echter een patroon in gedragingen, er ontstaat een groepscultuur. Deze groepscultuur is onveilig. Zelfs als de vereniging besluit om de pester naar een ander team over te plaatsen, omdat de dader nu eenmaal goed is in zijn of haar sport, zal er iemand op staan die deze rol overneemt. Als het slachtoffer afhaakt omdat hij of zij er niet langer tegen kan, zal er niets veranderd. Er wordt een nieuw slachtoffer gezocht. Er wordt namelijk niets gedaan aan het onderliggende probleem, aan de wijze waarop de groep samenwerkt.  Het slachtoffer, heeft geleerd dat groepen onveilig kunnen zijn, dat je buiten gesloten kan worden en zal een volgende keer zijn of haar gedrag daarop aanpassen. Wat de kans vergroot dat gedrag zich herhaald. De dader heeft geleerd dat gedrag loont en de kans dat dit gedrag in een volgende setting zich herhaald is aanwezig. Onveilig gedrag dat in een groep begint kan zich, als er niet wordt ingegrepen, over de gehele vereniging verspreiden. Lees de rest van dit bericht

Zonder coach

Jaren geleden, ik denk midden jaren 80 van de vorige eeuw, vertelde een Amerikaanse volleybalcoach mij dat coaches eigenlijk overbodig zijn. Plat gezegd kwam het er op neer dat er geen groep ter wereld is die zich zelf zo grenzeloos overschat als de sportcoach. De man was niet dronken, was ervaren in zijn vak en had goed over alles nagedacht. Als voorbeeld noemde hij de skaters, de freerunners, jongens en meisjes die echt niet met een trainer en een coach dagelijks aan de slag zijn maar wel, geheel volgens eigen regels, geweldig mooie sport laten zien. In een recent artikel van Michiel de Hoog (De Correspondent) komt sportpsycholoog Thomas Waanders aan het woord. Waanders benoemd de volgende observaties:

  • Bestuurders pronken op Facebook en Twitter met resultaten van jeugdteams, ook al weten ze dat die weinig zeggen over later succes.
  • Trainers voelen de druk om te moeten winnen en nemen beslissingen die spelers niet helpen in hun ontwikkeling – bijvoorbeeld door jonge, laatrijpe kinderen minder speeltijd te gunnen.
  • Spelers verzwijgen dat ze geblesseerd zijn of thuis problemen hebben. Omdat ze bang zijn niet opgesteld te worden.
  • En op het veld durven ze vaak zichzelf niet te zijn. ‘Veel jeugdspelers hebben last van faalangst,’ zegt Waanders. ‘Ze vermijden bijvoorbeeld het geven van riskante passes, zodat ze dan in elk geval geen balverlies lijden.’

Wij zijn bezig met het korte termijn succes in plaats van lange termijn ontwikkelen. Als gevolg van deze keuze zijn we druk bezig om fouten juist te vermijden én kiezen wij vaak voor de oudere kinderen in een lichting.

Onderzoek wijst uit dat prestatiegericht opleiden niet leidt tot succes op latere leeftijd, terwijl een procesgerichte scholing daar vaak wel toe leidt. Voor kinderen telt er maar een ding en dat is plezier. Er moet geen afrekening op gemaakte fouten plaatsvinden. Fouten maken hoort er bij, dit zijn juist de momenten om je grenzen te verleggen. Volwassenen denken in goed en fout, in winnen en verliezen.  Kinderen zijn daar nog helemaal niet mee bezig. Hoe paradoxaal het ook klinkt maar om later op een goede manier met winnen of verliezen bezig te kunnen zijn moeten ze zich daar in de ontwikkeling juist absoluut niet druk om maken. Kinderen moeten fouten kunnen maken, moeten dagelijks nieuwe dingen kunnen ontdekken, uitproberen. Om er zelf achter te komen wat werkt en wat niet werkt. Sommige denkbeelden, overtuigingen, ideeën, gedachtes zitten zo in ons systeem, dat het moeilijk is om ze los te laten. Dat is de grootste uitdaging van volwassenen, van ons als trainer, als coach. Dat betekent dat wij naar andere mensen moet luisteren, andere visies omarmen, misschien moeten wij accepteren, met al onze ervaring, dat wij nog niet alles kunt weten en dat wij, om de ander te laten groeien, ze kunnen loslaten.

De bank is mijn redding

Vroeger zei ik vaak tegen mijn wisselspelers, dat zij mijn beste spelers waren. Want als je wel beschouwd, wanneer zet je veelal een wisselspeler in? Als het minder goed loopt met je team. Wat verwacht je dan eigenlijk van deze wisselspeler? Dat hij het tij weet te keren. Dat hij het beter doet dan de speler die je oorspronkelijk in de basis had gezet. Nu is dat natuurlijk een dooddoener eerste klas, want welke coach zet nu werkelijk zijn echt beste spelers op de bank, behoudens dan wellicht tegen een onthutsend zwakke tegenstander. Ook van Bronkhorst startte vanmiddag gewoon met zijn beste 11 spelers. Never change a winning team, maar waarom zou je niet terug willen vallen om een geweldige topper op de bank. De eerlijkheid gebied te zeggen dat Feyenoord natuurlijk Kuyt op de bank had, maar die zit ook niet voor niets op de bank.

Hoe win je nu een wedstrijd en welk wisselbeleid past daarbij. Ik ging vroeger uit van het principe dat iedereen, over een heel seizoen, evenveel speelde. Volleyballen leer je door het te doen, niet op de bank. Dat betekende niet dat Iedereen ook in elke wedstrijd evenveel speelde. Het kon zelfs gebeuren dat iemand uiteindelijk niet speelde. Ik paste mijn basisteam aan, aan mijn tegenstanders. Als wij tegen een minder goede tegenstander speelde, dan startte ik met een andere basis, dan tegen de nummer 1. Behalve het winnen van de wedstrijd zijn er natuurlijk legio andere redenen te bedenken die bepalen wat jouw wisselbeleid is. Je zou er ook voor kunnen kiezen om jongere spelers in te passen. Die kan je, bewust in zetten tegen juist de sterkere tegenstanders. Je kan ze ook en ook net zo bewust inzetten tegen minder goede tegenstanders.

Welk wisselbeleid je ook toepast, leg uit wat je doet. Waarom staat iemand in de wissel, waarom haal je iemand er uit of zet je iemand er in. Leg uit wat je doet. Coachen is communiceren, met je basisspelers, maar óók met je wisselspelers.

Huiswerk

Het seizoen loopt op z’n eind, veel jongens die dit jaar examen doen, of nog een aantal belangrijke toetsweken hebben. Omdat school natuurlijk voor sport gaat, wordt er regelmatig afgezegd. Als gevolg hiervan heb je als trainer de groep geregeld niet compleet, wat weer gevolgen heeft voor de motivatie van anderen. Dit is niet een scenario dat strikt alleen op dit seizoen te plakken is, het is een terugkerend fenomeen. Ik geloof ook niet dat ik de enige ben met dergelijke ervaringen. Ouders sturen hier en dat is begrijpelijk stevig op. Niet iedereen haalt de top in zijn of haar sport, je sport maar een beperkt deel van je leven en een diploma is simpelweg belangrijker.  Nu wil ik geen knuppel in het hoenderhok gooien maar ik denk dat er ook iets anders speelt.
Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: