Pamela

Nadat ik midden jaren 80 een clinic zag van een Amerikaanse volleybaltrainer was ik verkocht. Als startende trainer had ik zoveel nieuwe dingen gehoord, nieuwe oefeningen gezien, dat ik hier meer over wilde weten. Alles wat ik zag, wat ik hoorde, was zo anders dan wat ik gewend was. Hoe ik getraind was, zo anders dan de coaches die ik gehad had. Geen saaie oefeningen, geen lange wachtrijen, oefeningen die in 2x knipperen met de ogen uitgelegd waren en ook de aanwijzingen, zó simpel, zó to the point. Ik wilde hier meer over weten. E-mail was toen nog niet zo gangbaar, dus ik schreef deze trainer een brief. Niet rechtstreeks naar zijn huisadres, maar naar de Amerikaanse volleybalbond, in de hoop dat de brief doorgestuurd zou worden. De brief werd doorgestuurd en weken nadat ik mij brief had verstuurd viel er een groot pakket op mijn deurmat. In het pakket een brief en een tweetal boeken, boeken over het Amerikaans opleidingsmodel en een trainershandleiding voor beginnende trainer. In de handleiding veel oefenstof, drills, zoals ze dat noemen. Elke oefening had een naam, butterfly, around the world, Dog house, King of court of the Dig Queen of the Mountain. Elke oefening had een vaste organisatie, maar hierop kon je naar believen variëren. Het gebruik van die namen maakte de training al spannend, vond ik. Zoiets als het volleybalkamp dat ik ooit meemaakte met de titel “De avonturen van Robinson Crusoe”. Lees meer »

Advertenties

Marktwerking

In een eerder blog benoemde ik al mijn verbazing over het feit dat veel voetbalclubs, zeker  bij de breedte teams, niet in staat zijn om gediplomeerde trainers aan te stellen.  Clubs anticiperen hier ook op door in advertenties aan te geven dat opleiding niet vereist is. Een recente tweet van Pieter Zwart wees op een mogelijke oorzaak, namelijk de prijs die trainers zouden moeten betalen voor een cursus.

“Opleiden zou geen melkkoe moeten zijn, maar een investering in de toekomst. Juist ook voor de breedtesport. Iedereen heeft baat bij goede trainers”

Zwart heeft hier een punt, iedere sporter heeft baat bij goede, opgeleide, trainers. Voor veel voetbalverenigingen blijkt dit een dilemma. Trainers zijn veelal de goed bedoelende vader, al dan niet met een voetbalachtergrond.Lees meer »

Opleiding niet vereist

Het nieuws haalde het 8 uur journaal, voetbal scholen schieten als paddenstoelen uit de grond en wat bleek ouders zijn nog bereid flink voor te betalen ook. In het journaal een reportage bij voetbalschool Kick, waar een jeugdtrainer van ADO nog wat bijverdiend. Geef hem eens ongelijk. Marijn de Vries brak ik haar column in de Trouw een lans voor de voetbalclubs. Een warm pleidooi voor de warme vereniging waar het plezier nog centraal staat. Geef haar eens ongelijk. John Volkers van de Volkskrant reageerde daar op Twitter op door te stellen dat hij vroeger 2,3 uur per dag voetbalde, grotendeels op straat. Dat aantal trainingsuren behaal je bij geen enkele voetbalclub. Geef hem eens ongelijk. Daarbij  die straat, dat is het nieuwe toverwoord binnen het voetbal. Een beetje club traint tegenwoordig op een teerpleintje in de buurt van het groene grasveld bij de club.

Mij bekroop mij een heel ander fenomeen. Een probleem dat ik bij veel clubs terug zie, namelijk het probleem van het vinden van kwalitatief goede trainers. In de slipstream van dit probleem speelt in mijn beleving dan ook nog het feit dat die trainers, als je ze al gevonden hebt, gigantische eisen hebben wat betreft het geen zij, al dan niet zwart, willen opstrijken. Dit gaat het niveau vrijwilligersvergoeding ver te boven. In een discussie die ik zelf heel recent had met een trainer werd aangegeven dat hij de investeringen die hij had gedaan toch ergens terug wilde verdienen.Lees meer »

Plannen

“Zou jij komende maandag de training kunnen geven?”
“Uhh, ja maar wat wil jij dat ik ga doen? Wat moet er getraind worden?”
“Simpel. Wij kijken goed wat er zaterdag allemaal mis gaat en dan besteden wij daar maandag aandacht aan.”

Zomaar een anecdote, een gesprek tussen een trainer en zijn stagiaire. Ik denk dat een dergelijke werkwijze veel voorkomt. Korte termijn planning. Je kijkt wat er mis gaat en stuurt direct bij. Het lijkt op roeien waarbij je besluit eerst vier slagen met de rechter roeispaan te roeien om vervolgens vier slagen met de linker roeispaan te roeien omdat je er al varende achter komt dat je niet recht vooruit komt.

Planmatig werken
In mij eerste jaren als trainer vond ik het altijd een uitdaging om te bedenken wat ik nu weer eens zou gaan doen tijdens de trainingen. Een training moest, in mijn ogen voldoen aan twee criteria, mijn spelers moesten wat leren en de training moest leuk zijn. In het verlengde van deze twee eisen waren er natuurlijk een aantal eisen te formuleren die daarvan konden worden afgeleid.  Zo lag in het verlengde van dat leren dat de spelers er iets voor moesten doen, maar dat de doelen wel haalbaar moesten zijn. In het verlengde van dat een training leuk moest zijn, lag natuurlijk ook de uitdaging dat lang leven de lol soms om een wat gespannen voet staat met iets nieuws leren.

Voor mij betekende het werken met doelen dat ik de doelen zelf wilde kunnen controleren. Ik kan een wedstrijd winnen, zelfs met twee vingers in de neus, maar echt dramatisch slecht gespeeld hebben. Ik kan ook een wedstrijd verliezen, compleet van het veld gespeeld zijn maar nog nooit zo’n goede wedstrijd gespeeld hebben. Ik heb, als trainer, het wedstrijdresultaat maar heel beperkt onder controle.

Ik werkte nooit vanuit dat wedstrijdresultaat. Ik vond het fijn om te werken met leerdoelen. Leerdoelen zijn veel beter onder eigen controle te houden dan resultaatdoelen. Leren suggereert een weg met een begin- en een eindpunt, de leerroute. Van onbewust – onbekwaam breng je spelers naar onbewust bekwaam. Een weg overigens die niet lineair, maar echt met vallen en opstaan verloopt. Telkens als je je bewust wordt dat je iets nog niet beheerst, je nog na moeten gaan denken hoe het uitgevoerd moet worden, zal de uitvoering net iets minder goed zijn dan dat je zou wensen.

Werken met een plan betekent dat je gaat beoordelen wat je beginsituatie is. Wat beheersen mijn spelers al wel en wat moeten ze nog kunnen leren? Wat zou ik het team, mijn spelers, in één jaar kunnen leren? Waarmee begin ik, wat volgt daarna? Wanneer stel ik vast dat ze het ook beheersen? Hoe gaat ik ze aanleren wat ik ze wil aanleren? Werken met een plan vraagt het nodige aan  voorbereiding. Je klapt niet zo maar, geheel onvoorbereid, het seizoen binnen en ziet dan wel wat er van komt.

Goed voorbereid kost even tijd
Een weekendje was ik daar wel mee bezig. Het resultaat was dat ik beschreven had wat onze beginsituatie was. Ik had beschreven welke doelen aan het eind van dat jaar bereikt diende te worden, wat mijn spelers zouden moeten kunnen beheersen. Ik had van week tot week, van training tot training beschreven wat er getraind zou gaan worden. De trainingen maakte onderdeel uit van leerlijnen, lesblokken met een kop en een staart. Ik had, zowel voor mezelf, als ook voor het team tussen evaluaties en een eindevaluatie gepland.

Het jaarplan was geen doel op zich. Het was een middel om te komen tot het planmatig verbeteren van de vaardigheden van mijn team, mijn spelers. Het kon gebeuren dat bij een tussenevaluatie bleek dat mijn spelers met een bepaald onderdeel toch langer deden dan dat ik vooraf bedacht had. Geen probleem, dan liep het lesblok langer door en schoof automatisch langer door. Dit zou gevolgen kunnen hebben de te behalen einddoelen, maar dat behoefde niet. Het kon ook gebeuren dat een lesblok minder tijd nam dan gepland, waar de te behalen einddoelen als nog gerealiseerd werden.

Van boven naar beneden
Een belangrijk onderdeel van dat voorbereidingsweekend was het gesprek met het team, met de spelers. In dat gesprek ging het niet over de gewenste resultaten over van wie ze echt moesten winnen. Het ging niet over een eventueel te wensen kampioenschap. Die gesprekken begonnen over waar ze überhaupt op volleybal zaten. Het ging over waarom ze volleybal nu echt leuk vonden en wat ze daarin wellicht ook best moeilijk vonden. Die gesprekken gingen over hoe ze tegen het team aankeken, over welke afspraken wij samen moesten maken. Hoe gaan wij om met het afzeggen voor een training of een wedstrijd. Hoe gaan wij met elkaar kom? Mag je fouten maken en zo ja, hoe vaak? het ging over de missie, de identiteit over de waarden, over onze mindset. Daarna kwam  wat ze nu wilde leren. Je werkt dus van boven naar beneden. Elke bovenliggende fase heeft invloed op de fase daaronder.

 

Op mijn vinger gekeken worden

Als ik iets vervelend vond dan was het wel op mijn vinger gekeken te worden, gecontroleerd te worden. Ik wilde gewoon mijn eigen gang gaan. Ik wist wat ik deed. Er zat natuurlijk iets achter. Ik wist eigenlijk helemaal niet of ik het goed deed. Ik was als de dood om dat te horen. Waar kwam die angst om te horen dat ik het niet goed had gedaan, of beter anders had kunnen doen, vandaan? Het kwam in ieder geval niet door mijn opvoeding. Voor mijn ouders was het belangrijk dat ik er hard voor geleerd had en wat deed met wat er niet goed ging, dan dat ik er op afgerekend werd op wat ik niet goed deed. Een slecht rapport? Ik heb geen centimeter voor om hoeven fietsen. Ik werd er niet op afgerekend.
Het zal wellicht iets te maken hebben gehad met de wijze waarop ik in de loop der jaren van deze en gene feedback heb mogen ontvangen. Zo herinner ik mijn juffrouw Bakker nog goed. Mijn juf van de 3e klas van de lagere school.

‘Bij me komen!’, schreeuwt de juf,’en neem je rekenboek mee’. Ik kijk de juf verschikt aan. ‘Ja, jij, hierkomen’, gaat ze kwaad verder. Ik pak mij rekenboek en loop schoorvoetend tussen de tafeltjes door naar voren. Met een klap smijt de juf een schriftje voor mij neus. ‘Wat ben jij een dom uilskuiken’, bijt ze me toe. ‘Kan jij nou helemaal niets? Waar moet dit eindigen?’, vraagt ze met een blik van walging. Ik durf haar niet te kijken. Met het hoofd gebogen, kijk ik juffrouw Bakker angstig aan. ‘Kijk me aan, als ik tegen je praat!’, schreeuwt ze. ‘Wat ga je hier nu aan doen?’, vraagt ze. ‘Ik weet het niet juf’, zeg ik. ‘Dat dacht ik al. Wat weet jij nu eigenlijk wel?’, vraagt ze.

Lees meer »

Uren maken

“Drie keer 2 uur trainen per week te veel? Jullie weten werkelijk niet waar je over praat!”
Het ging er even heftig aan toe, die avond. Jan, de trainer van O13-1, wilde graag meer gaan trainen met zijn team. Los van de vraag of er ergens in het trainingsrooster nog ruimte was, vonden eigenlijk alle trainers dat het aantal trainingsuren gewoon een te grote belasting was voor de kinderen. Twee keer, twee uur per week, dat moest genoeg zijn. Voetbal was een fysieke zware sport en de club wilde waken voor over belasting. Onze O13-1 ging dan ook géén derde keer trainen.Lees meer »

Autoritaire trainers

Gerhard heette hij. Gerhard was een trainer die ik niet snel vergeet. Zijn Duitse naam zal er weinig mee te maken hebben maar Gerhard was een man van de keiharde discipline, een man ‘van regel ist regel und ordnung muss sein’. Gerhard, een oud militair, wist hoe het spel gespeeld moest worden, duldde daarover heen discussie. Als het even mis liep, dan lag het niet aan Gerhard maar aan de discipline van de de spelers of zoals hij de gehele doelgroep vaak over een kam scheerde, de patatgeneratie.

Ik moet eerlijk bekennen, ik kom ze weinig meer tegen, zo’n autoritaire trainer. Eigenlijk is een dergelijke stijl van leidinggeven achterhaald, tenminste dat vind ik. Dit wil niet zeggen dat ze er niet zijn, die trainers die alles bepalen, die geen tegenspraak dulden, wiens wil nog echt wet is. Autoritaire trainers staan weinig open voor gesprek, feedback of discussie en dulden weinig of geen tegenspraak. Autoritaire trainers zijn dominant en bazig. Zij houden regie en een sterke controle. Een autoritaire trainer verzamelt, of creëert een team met spelers om zich heen die weinig kritisch, vrijwel blind de trainer volgen.  Een autoritaire trainer houdt informatie voor zich, deelt dit ook niet graag met anderen, tenzij het strikt noodzakelijk is.

Een gevolg van deze leiderschapsstijl is dat spelers op den duur vooral extrinsiek gemotiveerd zijn, vaak uit angst. Ze zijn niet intrinsiek gemotiveerd. Je krijgt van die spelers die hard werken als de trainer kijkt en niets uitvoeren als hij even niet kijkt. Er heerst passiviteit in het team. Spelers zullen niet zelf met oplossingen voor problemen komen waar zij in het veld tegen aan lopen. Niet elke speler zal het volhouden om met een dergelijke trainer het seizoen door te komen.Lees meer »