Pamela

Nadat ik midden jaren 80 een clinic zag van een Amerikaanse volleybaltrainer was ik verkocht. Als startende trainer had ik zoveel nieuwe dingen gehoord, nieuwe oefeningen gezien, dat ik hier meer over wilde weten. Alles wat ik zag, wat ik hoorde, was zo anders dan wat ik gewend was. Hoe ik getraind was, zo anders dan de coaches die ik gehad had. Geen saaie oefeningen, geen lange wachtrijen, oefeningen die in 2x knipperen met de ogen uitgelegd waren en ook de aanwijzingen, zó simpel, zó to the point. Ik wilde hier meer over weten. E-mail was toen nog niet zo gangbaar, dus ik schreef deze trainer een brief. Niet rechtstreeks naar zijn huisadres, maar naar de Amerikaanse volleybalbond, in de hoop dat de brief doorgestuurd zou worden. De brief werd doorgestuurd en weken nadat ik mij brief had verstuurd viel er een groot pakket op mijn deurmat. In het pakket een brief en een tweetal boeken, boeken over het Amerikaans opleidingsmodel en een trainershandleiding voor beginnende trainer. In de handleiding veel oefenstof, drills, zoals ze dat noemen. Elke oefening had een naam, butterfly, around the world, Dog house, King of court of the Dig Queen of the Mountain. Elke oefening had een vaste organisatie, maar hierop kon je naar believen variëren. Het gebruik van die namen maakte de training al spannend, vond ik. Zoiets als het volleybalkamp dat ik ooit meemaakte met de titel “De avonturen van Robinson Crusoe”. Lees meer »

Advertenties

Plannen

“Zou jij komende maandag de training kunnen geven?”
“Uhh, ja maar wat wil jij dat ik ga doen? Wat moet er getraind worden?”
“Simpel. Wij kijken goed wat er zaterdag allemaal mis gaat en dan besteden wij daar maandag aandacht aan.”

Zomaar een anecdote, een gesprek tussen een trainer en zijn stagiaire. Ik denk dat een dergelijke werkwijze veel voorkomt. Korte termijn planning. Je kijkt wat er mis gaat en stuurt direct bij. Het lijkt op roeien waarbij je besluit eerst vier slagen met de rechter roeispaan te roeien om vervolgens vier slagen met de linker roeispaan te roeien omdat je er al varende achter komt dat je niet recht vooruit komt.

Planmatig werken
In mij eerste jaren als trainer vond ik het altijd een uitdaging om te bedenken wat ik nu weer eens zou gaan doen tijdens de trainingen. Een training moest, in mijn ogen voldoen aan twee criteria, mijn spelers moesten wat leren en de training moest leuk zijn. In het verlengde van deze twee eisen waren er natuurlijk een aantal eisen te formuleren die daarvan konden worden afgeleid.  Zo lag in het verlengde van dat leren dat de spelers er iets voor moesten doen, maar dat de doelen wel haalbaar moesten zijn. In het verlengde van dat een training leuk moest zijn, lag natuurlijk ook de uitdaging dat lang leven de lol soms om een wat gespannen voet staat met iets nieuws leren.

Voor mij betekende het werken met doelen dat ik de doelen zelf wilde kunnen controleren. Ik kan een wedstrijd winnen, zelfs met twee vingers in de neus, maar echt dramatisch slecht gespeeld hebben. Ik kan ook een wedstrijd verliezen, compleet van het veld gespeeld zijn maar nog nooit zo’n goede wedstrijd gespeeld hebben. Ik heb, als trainer, het wedstrijdresultaat maar heel beperkt onder controle.

Ik werkte nooit vanuit dat wedstrijdresultaat. Ik vond het fijn om te werken met leerdoelen. Leerdoelen zijn veel beter onder eigen controle te houden dan resultaatdoelen. Leren suggereert een weg met een begin- en een eindpunt, de leerroute. Van onbewust – onbekwaam breng je spelers naar onbewust bekwaam. Een weg overigens die niet lineair, maar echt met vallen en opstaan verloopt. Telkens als je je bewust wordt dat je iets nog niet beheerst, je nog na moeten gaan denken hoe het uitgevoerd moet worden, zal de uitvoering net iets minder goed zijn dan dat je zou wensen.

Werken met een plan betekent dat je gaat beoordelen wat je beginsituatie is. Wat beheersen mijn spelers al wel en wat moeten ze nog kunnen leren? Wat zou ik het team, mijn spelers, in één jaar kunnen leren? Waarmee begin ik, wat volgt daarna? Wanneer stel ik vast dat ze het ook beheersen? Hoe gaat ik ze aanleren wat ik ze wil aanleren? Werken met een plan vraagt het nodige aan  voorbereiding. Je klapt niet zo maar, geheel onvoorbereid, het seizoen binnen en ziet dan wel wat er van komt.

Goed voorbereid kost even tijd
Een weekendje was ik daar wel mee bezig. Het resultaat was dat ik beschreven had wat onze beginsituatie was. Ik had beschreven welke doelen aan het eind van dat jaar bereikt diende te worden, wat mijn spelers zouden moeten kunnen beheersen. Ik had van week tot week, van training tot training beschreven wat er getraind zou gaan worden. De trainingen maakte onderdeel uit van leerlijnen, lesblokken met een kop en een staart. Ik had, zowel voor mezelf, als ook voor het team tussen evaluaties en een eindevaluatie gepland.

Het jaarplan was geen doel op zich. Het was een middel om te komen tot het planmatig verbeteren van de vaardigheden van mijn team, mijn spelers. Het kon gebeuren dat bij een tussenevaluatie bleek dat mijn spelers met een bepaald onderdeel toch langer deden dan dat ik vooraf bedacht had. Geen probleem, dan liep het lesblok langer door en schoof automatisch langer door. Dit zou gevolgen kunnen hebben de te behalen einddoelen, maar dat behoefde niet. Het kon ook gebeuren dat een lesblok minder tijd nam dan gepland, waar de te behalen einddoelen als nog gerealiseerd werden.

Van boven naar beneden
Een belangrijk onderdeel van dat voorbereidingsweekend was het gesprek met het team, met de spelers. In dat gesprek ging het niet over de gewenste resultaten over van wie ze echt moesten winnen. Het ging niet over een eventueel te wensen kampioenschap. Die gesprekken begonnen over waar ze überhaupt op volleybal zaten. Het ging over waarom ze volleybal nu echt leuk vonden en wat ze daarin wellicht ook best moeilijk vonden. Die gesprekken gingen over hoe ze tegen het team aankeken, over welke afspraken wij samen moesten maken. Hoe gaan wij om met het afzeggen voor een training of een wedstrijd. Hoe gaan wij met elkaar kom? Mag je fouten maken en zo ja, hoe vaak? het ging over de missie, de identiteit over de waarden, over onze mindset. Daarna kwam  wat ze nu wilde leren. Je werkt dus van boven naar beneden. Elke bovenliggende fase heeft invloed op de fase daaronder.

 

Op mijn vinger gekeken worden

Als ik iets vervelend vond dan was het wel op mijn vinger gekeken te worden, gecontroleerd te worden. Ik wilde gewoon mijn eigen gang gaan. Ik wist wat ik deed. Er zat natuurlijk iets achter. Ik wist eigenlijk helemaal niet of ik het goed deed. Ik was als de dood om dat te horen. Waar kwam die angst om te horen dat ik het niet goed had gedaan, of beter anders had kunnen doen, vandaan? Het kwam in ieder geval niet door mijn opvoeding. Voor mijn ouders was het belangrijk dat ik er hard voor geleerd had en wat deed met wat er niet goed ging, dan dat ik er op afgerekend werd op wat ik niet goed deed. Een slecht rapport? Ik heb geen centimeter voor om hoeven fietsen. Ik werd er niet op afgerekend.
Het zal wellicht iets te maken hebben gehad met de wijze waarop ik in de loop der jaren van deze en gene feedback heb mogen ontvangen. Zo herinner ik mijn juffrouw Bakker nog goed. Mijn juf van de 3e klas van de lagere school.

‘Bij me komen!’, schreeuwt de juf,’en neem je rekenboek mee’. Ik kijk de juf verschikt aan. ‘Ja, jij, hierkomen’, gaat ze kwaad verder. Ik pak mij rekenboek en loop schoorvoetend tussen de tafeltjes door naar voren. Met een klap smijt de juf een schriftje voor mij neus. ‘Wat ben jij een dom uilskuiken’, bijt ze me toe. ‘Kan jij nou helemaal niets? Waar moet dit eindigen?’, vraagt ze met een blik van walging. Ik durf haar niet te kijken. Met het hoofd gebogen, kijk ik juffrouw Bakker angstig aan. ‘Kijk me aan, als ik tegen je praat!’, schreeuwt ze. ‘Wat ga je hier nu aan doen?’, vraagt ze. ‘Ik weet het niet juf’, zeg ik. ‘Dat dacht ik al. Wat weet jij nu eigenlijk wel?’, vraagt ze.

Lees meer »

Een complimentje

Ik vond het wel een vondst, Thomas Dekker die, rijdend hij over gevaarlijke wegen, langs diepe ravijnen nog even uitlegt hoe het toch zo mis kon gaan. Zijn reispartner snapte er helemaal niets van. Hoe kon iemand zo ver gaan? Dekker schetste een ontluisterend beeld  van de wielerwereld. Een wereld die, als wij de coureurs mogen geloven, nu veel schoner is. Ik vraag mij dat af. Ontegenzeggelijk is er veel veranderd, het dopingpaspoort, de Where abouts en een veel transparantere sportcultuur.

Afgelopen week kwamen er andermaal twee sporters naar buiten met een bekentenis, Karsten Kroon en Lieuwe Westra. Beide zijn inmiddels gestopt met wielrennen. Ik vind het wel bijzonder dat ze nu naar buiten komen met deze bekentenissen.  Een gezamenlijk onderzoek van de Nederlandse wielerploegen en de wielrenunie KNWU, in 2013, leverde geen nieuwe dopingbekentenissen op. Renners en oud-renners die in het kader van dat onderzoek dopinggebruik bekenden, zouden er met een relatief lichte straf vanaf komen.  Waarom zou je dan nu bekennen? Lees meer »

Coaches die nooit verliezen

Het moet ergens begin jaren 90 zijn geweest. Ik nam deel aan een workshop Coaching, van de Sportacademie Amsterdam. In de klas bekende en minder bekende trainers en coaches, actief in verschillende takken van sport. Het was de eerste keer dat ik hoorde van het fenomeen coaches die nooit verliezen. Ik deelde in de workshop mijn werkwijze, het planmatig werken vanuit een jaarplan, de competitie als sluitstuk van het leren zien en in de wedstrijden dus ook met leerdoelen werken in plaats van resultaatdoelen.
“Jij zou ‘Coaches who never lose’ moeten lezen, ik denk dat jou dit aanspreekt!” gaf een deelnemer aan.

Lees meer »

De ouderavond

Het grote nadeel van jeugdige leden is dat er ook nog een ouders achteraan komen. Ouders zijn moeilijk, zijn lastig en hebben een vrij verwrongen beeld van het geen het eigen kind kan. Als het even kan liever geen ouders langs het veld of in de zaal tijdens de training en bij de wedstrijden liefst één veld verder of anders in het clubhuis.

Ouders zijn in het tijdsbeeld waarin wij leven een soort onmensen geworden. Toch is dit je achterban. Een achterban die je met de steeds maar teruglopende vrijwilligers aantallen ook nog eens hard nodig heb. Zijn ouders dan ook altijd lastig, moeilijk en ingewikkeld of ligt hieraan iets anders ten grondslag? Laat ik met deur in huis vallen, ja sommige ouders zijn lastig. Sommige ouders hebben inderdaad een wat te romantisch beeld van de verrichtingen van hun zoon. Er zijn ook ouders voor wie keiharde prestatie centraal staat en dat mag zoon of dochter ook weten. Een wedstrijd verloren betekent direct slecht gespeeld.
Lees meer »

In de spiegel kijken

‘Nijhuis fluit nooit ergens voor, maar owee als je iets tegen ‘m zegt’

Een tweet van Feyenoord volger en AD journalist Martijn Krabbendam. Feyenoord had verloren, zoveel was duidelijk en Nijhuis had het gedaan. Krabbendam stond niet alleen, want zoveel was duidelijk, Nijhuis fluit echt alleen voor zich zelf. In de discussie die volgde bleek dat ook de coach van NAC, Stijn Vreven niet geheel onschuldig leek. Vreven lijkt een recidivist, want als je voor de 3e keer op rij, naar de tribune wordt gestuurd, door steeds weer een andere scheidsrechter, dan is dat niet alleen Nijhuis aan te rekenen. Die avond bij Studio Voetbal bleek dat Vreven ook bij een interview met Studio Sport, was weggelopen omdat er vragen gesteld werden over het gedrag langs de lijn. Vreven trok het boetekleed aan en weet het aan een te veel aan adrenaline. Iedereen aan tafel, Egbers voorop hadden alle begrip. fijn toch dat hij zijn excuses aan had geboden.Lees meer »