Site-archief

Denken in achterstand, creëert achterstanden

Wij hebben het, zo langs de lijn, op de tribune, niet zelden over kinderen die minder getalenteerd lijken. Al eerder schreef ik een artikel over het feit dat wij bij de club onze eigen waarheid realiseren. Wij laten kinderen afvallen omdat een kind, volgens onze, subjectieve waarneming, minder talentvol is. Trainers selecteren ook niet op de lange termijn, ze bekijken met wie zij op de korte termijn, het beste zouden kunnen presteren. De kinderen die geselecteerd worden mogen meer trainen, krijgen ook betere trainers en zie hier de self fulfilling prophecy. Dat is wat wij talentontwikkeling noemen. Het probleem is ook niet dat wij kinderen hebben die op enig moment minder talentvol lijken en, op dat moment, misschien ook wel zijn. Het probleem is dat wij in ons land erg gewend om kinderen te vergelijken. Het is volstrekt normaal om van jongsaf kinderen te selecteren. Wij meten en vergelijken wat af. Ik weet niet hoe het jullie is, maar wij vergeleken vroeger geregeld onze cijfers na een toets met elkaar. Voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde vond ik dat niet zo’n probleem. Bij de vakken Engels en vooral Frans vond ik dat een stuk minder grappig. Het gebeurde niet zelden dat thuis gevraagd werd hoe anderen een toets gemaakt hadden. In de sport doen wij niet anders. Het hele idee van competitie is gebaseerd het vergelijken met anderen. Toch zijn ook daar de omstandigheden niet gelijk, niet iedereen heeft dezelfde trainingsomstandigheden, traint ook evenveel uren. In 1985 werd ik met mijn team 3e op het NK. De top 10 trainde een gelijk aantal uren. Het jaar daarna haalde ik niet eens de eindronde. Het jaar daarop werd ik 7e. Ondertussen trainde wij nog steeds 1x in de week, maar onze tegenstanders in de eindronde, allemaal 2 of meer keren per week. Het verschil was gemaakt. Alweer enige tijd geleden schreef ik een verhaal over Thijs. Thijs viel af bij de selectietrainingen. Zijn vriendje Sjors werd wel gelecteerd. Sjors kreeg een betere trainer, kreeg betere trainingsvoorzieningen en ging ook direct fors meer uren trainen. Na nog geen half jaar was Sjors beter dan Thijs. Thijs haakte na verloop van tijd, een illusie armer, af.

Ergens is vergelijken met anderen erg gewoon. Schieten wij er erg veel mee op? Helpt het ons veel verder?

Het zou helpen als wij allen gelijk waren, als de omstandigheden voor iedereen ook gelijk zouden zijn. Ik hoop dat het een open deur is als ik toch moet concluderen dat niet iedereen gelijk is, niet iedereen gelijke kansen krijgt, de omstandigheden voor niet iedereen gelijk zijn. Wat heeft vergelijken dan voor zin, behoudens dat de conclusie dat je weet dat iemand die 4x per week traint wellicht beter zal zijn dan iemand die slechts 1x per week traint?

In het onderwijs lijken testen het ultieme doel geworden. In plaats van het leren leren, de kinderen voor te bereiden op een volwaardige deelname aan de maatschappij worden kinderen dood gegooid met testen. Er moet gemeten worden. Ja, eens, meten is weten maar wat weten wij dan na een test? Meten wij dan wat een kind weet of meten wij direct de ondersteuning die het kind van huis uit mee krijgt mee? Meten wij ook het feit dat een kind thuis niet (altijd) de beschikking heeft over een computer of een rustige werkplek? Meten wij niet ook de mate waarin een kind stressgevoelig is mee en mocht een kind stress gevoelig zijn, meten wij dan ook waar dat door komt? Ik heb in mijn kennissenkring ouders die hoge cijfers enorm belangrijk vinden. Er moet gepresteerd worden. Onze samenleving draait nu eenmaal om presteren, om beter zijn dan de rest.

Uit onderzoeken weten wij dat een al te zeer gericht zijn om prestatie leidt tot drop outs. Kinderen, maar ook volwassen sporters stoppen dus vaker als hun trainer al te zeer gericht is op prestaties. Toen ik dat las vroeg ik mij af waarom kinderen toch ooit waren gaan sporten. Waarom gaan kinderen voetballen? Waarom gaan kinderen volleyballen of hockeyen, of misschien turnen? Ik ging als kind op volleybal omdat ik het spelletje leuk vond. Bij de club leerde ik vrienden kennen. Er zijn er ook die een bepaalde sport gaan beoefenen omdat vriendjes dat ook doen. Een enkeling gaat een sport doen omdat ouders die sport ook beoefenen. Ik geef toe, mijn jongste zoon ging volleyballen omdat het voor ons logistiek handig was. Ik was actief in het volleybal en ook onze andere twee kinderen volleybalde. Hij vond volleyballen echter niet echt leuk en stopte daar ook snel mee. Hierna is gaan tennissen. Op zich vond hij dit leuk alleen mocht hij alleen maar trainen. Tennis was zo’n moeilijke sport, hij moest eerst maar een jaartje of zo alleen gaan trainen. Die ontzettend foute gedachte was ook in het volleybal langere tijd zeer gangbaar. Ook in het volleybal vonden wij dat onze sport zo moeilijk was dat kinderen eerst maar eens een paar jaar moesten trainen voordat ze wedstrijdjes mochten spelen. Heel veel kinderen vonden het om die reden al heel snel niet heel erg leuk meer en haakje af. Na het tennissen volgde het voetbal en op dat moment vonden wij het niet heel erg leuk. Het was te hard, te zwaar maar …. ze mochten wel direct wedstrijdjes spelen. Belangrijker was, maar ik geef toe, het duurde even voor ik zover was, hij vond het fantastisch. Voetbal was leuk en niet onbelangrijk. Zijn vriendjes voetbalde. Geen enkel kind gaat een sport beoefenen met het voorop gezette plan om wereld of Olympisch kampioen te worden of er op termijn zijn of haar geld mee te gaan verdienen. Dat zijn doelen die veelste ver liggen. Het kan best op enig moment in beeld komen, maar dat zijn het wij, de ouders, de trainers die dergelijke vergezichten schetsen.

Ik ben altijd een trainer geweest die methodisch wilde werken. Wat kan mijn team op dit moment? Wat moeten ze nog leren (lees wat kunnen ze nog niet) en wat zou ik ze in een seizoen kunnen leren? Met die informatie maakte in een plan. Van week tot week beschreef ik wat er geleerd moest worden. Ook ik gebruikte testjes om te kunnen bekijken wat de stand van zaken was. Het enige verschil was dat ik géén vergezichten schetste, zelfs het winnen van wedstrijden was niet een doel. Ik heb altijd twee doelen gehad, dat was leren volleyballen en plezier voor iedereen in de groep. Los van dat plezier ging ik mij dat doel om te leren volleyballen uit van wat mijn spelers niet beheerste, wat ze niet konden. Ik was mij nog niet zo bewust van het feit dat alles wat je aandacht geeft groeit. Met andere woorden dat ik met al mijn aandacht op alles wat niet goed ging het misschien wel steeds minder goed ging en ik het dus goed aan het verprutsen was. Hockeycoach Marc Lammers legde dit ooit perfect uit.

In het verlengde hiervan bevindt zich ook de constatering dat denken in achteruitgang ook achteruitgang creëert. Begin dit jaar publiceerde het Brabants Nieuwsblad hier een artikel over.

Het échte probleem is niet het verschijnsel van leerachterstanden, maar het feit dat we het volstrekt normaal vinden dat we kinderen al van jongs af aan vergelijken en selecteren. Dat belemmert hun ontwikkeling.

Even verder op staat te lezen “Kinderen die steeds vergeleken worden met anderen en minder goed presteren, raken eerder gedemotiveerd. Een self fulfilling prophecy.” Hier gaat het een klein beetje over Thijs.

Dan wordt in het artikel geconstateerd dat het spreken in achterstanden niet alleen schadelijk is voor kinderen en hun ontwikkelingspotentieel, maar ook een belediging voor alle leraren en ouders die zich hebben ingespannen om te doen wat mogelijk is onder deze bizarre omstandigheden. Of het nu een belediging is voor leraren en ouders waag ik te betwijfelen. Het waren toch die leerkrachten en die ouders die steeds aan het vergelijken waren? Het zijn niet de kinderen die in net NOS journaal komen melden wat de gemiddelde CITO score dit jaar was. Hij zijn niet de kinderen die aan die CITO score een advies koppelen voor een eventuele vervolg opleiding. In de sport kennen wij diezelfde drang met betrekking tot meten, ook wij kennen dat ultieme meetmoment, de selectietraining. Het verschil met het onderwijs is dat wij in de sport kinderen direct afserveren. Thijs haakte uiteindelijk af. Wij blijven ook in de sport ronddobberen in een heel fout paradigma. Wij gaan er volledig aan voorbij dat ontwikkeling niet lineair verloopt. Elke ontwikkeling heeft zijn eigen tempo. Iedereen krijgt vroeg of laat te maken met tegenslag, haperingen maar ook versnellingen.

Het denken in achterstand, creeërt achterstanden. Gaan wij uit van kinderen die het op enige moment wel kunnen en zetten wij dat af tegen kinderen die het niet kunnen creëren wij onze eigen waarheid en daarmee doen wij kinderen echt te kort. Wij leven onze eigen waarheid, volledig in de mist van waar wij varen. Het wordt tijd dat wij ophouden met selecteren, met kinderen af te schrijven voor ze nog begonnen zijn zich te ontwikkelen.

Varen bij slecht zicht of mist - Varen doe je samen

Onder inmense druk

Deze week waren velen verbaasd door eerst het statement van Noami Osaka en kort daarop het terugtrekken van Osaka bij Roland Garros. Osaka had, zo vertelde zij, erg veel moeite met de persconferenties na afloop van een wedstrijd. Als ze gewonnen had, oké dat ging nog wel maar voor het doorzagen door journalisten ná een verloren wedstrijd. Dat raakte diep. Zij kon daar niet langer tegen. De toernooi organisatie reageerde direct na de aankondiging dat zij de persconferenties zou gaan mijden. Zij zou uit het toernooi worden gezet en zou daar bovenop nog een flinke boete krijgen. Je zou wat meer bijval verwachten van haar collegae maar nee, alleen Serena Williams snapte de situatie. Mannetjesputters als Djokovic en Nadal maar ook Barty hadden weinig begrip. Als je ziet hoe snel de toernooi organisatie reageerde en met welke maatregelen zijn dreigde, kan je daar met een beetje gevoel nog begrip voor opbrengen. Ik moest terugdenken aan een aantal jaren geleden, het moment dat enkele wielrenners hun nood klaagde over een levensgevaarlijk parcours waar de wedstrijd organisatie de renners langs wilde sturen. Alles voor de kijkcijfers, er even aan voorbijgaand dat wij met mensen te maken hebben.

In een artikel op Nu.nl braken enkele sportpsychologen een lans voor Osaka. Het was dapper wat zij had gedaan en, zo dacht men, hier zouden tennissers op termijn hun voordeel mee kunnen doen. Osaka had een lans gebroken voor juist haar collega’s, zij wilde aandacht vragen voor de mentale gezondheid van tennissers. Tennissers zijn, je zou het bijna vergeten, ook mensen. Net als die wielrenners zijn zij geen instrument in handen van projectontwikkelaars die over de rug van sporters hun geld verdienen.

In een gesprek met vrienden over de actie van Osaka werd mijn standpunt keihard onderuit geschoffeld. Zo zat topsport nu eenmaal in elkaar en als je hier niet tegen kon je er maar beter niet aan beginnen. Ze verdiende genoeg, meer dan genoeg, ging mijn vriend in de overtreffende trap. Dit hoorde er nu eenmaal bij en hij zou er geen seconde minder om kijken. Ik was uitgekakt, hier kon ik niet tegenop. Nadat ik er wat langer over had nagedacht, kwam ik tot de conclusie dat hij misschien wel de kern van de zaak raakte. Het boeit ons als kijker, als consument, echt helemaal niks. Het ging om het vermaak en als sinds de gladiatoren in het oude Rome, boeide het de kijker echt geen drol dat de artiest er onder door ging. Wij willen ons identificeren met de winnaar. Iets niet goed kunnen, fouten maken, de wedstrijd verliezen, het wordt er al jong ingepompt, ingetrapt soms. Een wedstrijd is gelijk aan falen en falen is soms letterlijk dodelijk.

Top 5: De grootste gladiatoren | historianet.nl



Ik zag begin deze week de wedstrijd van Jong Oranje tegen Frankrijk. In de laatste minuut van de blessuretijd, op een 1-1 stand, besloot Justin Bijlow de bal niet bij zich te houden maar om de bal direct uit te spelen. De commentator had het niet over een geniale actie van de keeper, maar over het influisteren. De actie kon door de keeper zelf bedacht zijn. In de nabeschouwing ging het over het overzicht dat Stengs had en helemaal het geniale doelpunt van Boadu. Niemand had het meer over de actie waar alles mee begon. Keepers, verdedigers kunnen in het voetbal eigenlijk niets goeds doen. Houden ze een bal tegen, dan is dat dood normaal, hoort bij je taak, laten ze een speler lopen, tast de keeper mis, is het een doelpunt. Over de psyche van de keeper heb ik eerder een verhaal geschreven. Nadat de duitse keeper Robert Enke zich zelf van het leven had beroofd. Het keihard afstraffen van fouten, van vergissingen, zit er vroeg in. Langs de lijn bij een willekeurige pupillenwedstrijd doet pijn aan de ogen. In het volleybal hadden ze rond het maken van fouten zelfs een wedstrijdvorm gedacht. In het oude Circulatie volleybal kon je naar de kant als je de bal had laten vallen. Alles om kinderen te prikkelen geen fouten te maken. Als ik bang was geweest om te vallen, als mijn vader mij had vertelt nadat ik de eerste keer keihard op de grond was gevallen, had ik misschien wel nooit leren fietsen. Door fouten te maken leren wij, waar gewerkt wordt vallen spaanders. Het is dan ook veel belangrijker om niet zo spatisch met fouten, missers om te gaan, maar om er van te leren. Dat leren kost tijd en die tijd hebben wij niet. Wij leiden in heel veel sporten kinderen op die fouten het liefst willen mijden, die zelfs als een berg op zien tegen het bespreken van acties die misschien iets minder goed zijn verlopen. Soms bewust, maar ook vaak geheel onbewust, voeden wij angstige, foutenmijdende kinderen op. Het begint al met de vermaledijde selectietrainingen. Alsof wij met z’n allen een heel seizoen niet gekeken hebben, niet geluisterd hebben. Een soort CITO toets die niet zo zeer de huidige stand van zaken meet maar veel meer de mate waarin iemand in de ogen van de trainer het goed doet. Trainers selecteren niet op de lange termijn, die zijn niet bezig met dat punt op de horizon. Trainers zijn bezig met dat punt aan het eind van de straat, met hun eigen CV. Wij leiden met z’n allen kinderen op die vreselijk druk zijn om zich zelf met anderen te vergelijken, in plaats van met zich zelf te vergelijken. De enige vooruitgang die objectief en ook meetbaar is, is de vegelijking met jezelf. Winnen is ook niet winnen van de ander, van je tegenstander, winnen is winnen van jezelf. Elke dag beter worden dan dat je gisteren was.

Is jouw mindset vast of groeigericht? Doe de test! - HeartState


Terug naar Osaka en haar statement, de aandacht die zij vraagt voor de mentale gezondheid van tennissers. Een systeem is aan het denken gezet, denken sportpsychologen Jan Sleijfer en Kelly Dekker. Ik mag het hopen. Ik zou er voor willen pleiten om niet alleen binnen de tenniswereld eens na te denken over zoiets als mentale gezondheid, maar ook andere sporten aandacht te besteden aan de volledig doorgeschoten focus op foutloos resultaat sport. Prima dat je uiteindelijk wil winnen, maar laten wij leren fouten maken, laat ons vergissingen maken. Wij werken niet met een machine, wij hebben te maken met mensen. Ik zou Osaka enorm veel succes willen wensen en ik hoop dat de luiken bij tennissers als Djokovic, Nadal en Barty open gaan. Laten we de sport weer teruggeven aan de kinderen, aan de sporters, zonder die bemoeienis van sportbonsen, organisaties van wielerrondes, toernooi organisaties, zonder bemoeienis van rijke oliesjeiks of stinkend rijke oliegargen. Er zijn nogal wat sporten die volledig doorgeschoten zijn terwijl wij er met z’n allen bijstonden.

Dien je project in voor de Nationale Sportinnovator Prijs 2019 - Van  prestatie naar plezier - ZonMw

Vernederd, gespuugd en geslagen

Het zal ergens begin jaren 80 van de vorige eeuw zijn geweest. De Jong Oranje volleybalmannen trainde in die tijd op Papendal en een van mijn teamgenoten zat bij de selectie. In die ben ik, als net startende trainer, wezen kijken bij Jong Oranje. Ik wilde wel weten hoe zij trainde. In een ander deel van hetzelfde complex bleek de turnhal te zitten. Het leek een grote speeltuin met een grote bak met piepschuin vlak voor de tribune. In de hal trainde erg jonge meisjes, basisschoolleeftijd, niet ouder. De meisjes waren druk met de voorbereidingen op WK en Olympische Spelen, zoveel werd duidelijk uit de gesprekken die je op de tribune kon meekrijgen. Ik vond dat best bijzonder. Wat ik ook bijzonder vond waren de schriftjes die al die meisjes hadden en waar ze, na een training van alles in schreven. Het was allemaal best serieus, hele jonge meisjes in volle ernst bezig met de voorbereiding op de Olympische Spelen. Ik kon echter  toen niet vermoeden wat er afgelopen week over deze sport, over deze meiden misschien wel, naar buiten zou komen.

Al weer enkele maanden geleden, het was begin oktober, zag ik de 2Doc Turn. Een documentaire over fanatieke turnouders en gewetenloze trainers. Mijn Twittertimeline explodeerde. Mensen spraken er schande van, sommigen konden de documentaire niet afkijken, zo erg vonden ze het geen getoond werd. Huilende kinderen en ouders en trainers die vonden dat het kind nog niet hard genoeg z’n best deed. Mij verbaasde vooral die ophef, want kwam dat fanatieke gedrag, die gewetenloze trainers, voor wie een kind niet meer is dan materiaal, niet in alle takken van sport voor? Stonden die fanatieke vaders niet ook langs het voetbalveld? Ik schreef er destijds ook blog over. Zo snel als de storm opstak, zo snel was het ook weer over. Turn was al snel een vergeten documentaire, tot afgelopen week.

Afgelopen week was daar het interview met Top turncoach Gerrit Beltman. Beltman vertelde in het verleden turnsters, kinderen, te hebben geslagen, mishandeld. Hij intimideerde, manipuleerde, kleineerde en maakte zijn pupillen monddood.

Köhler en Heitinga, twee vrouwen die als kind door hem getraind waren, schreven in 2013 het boek De onvrije oefening, waarin zij uitgebreid en gedetailleerd zijn misdragingen opsomden. De oud-turnsters schetste een onthutsend beeld van een brute coach, zonder mededogen, die zowel fysiek als mentaal de grenzen van het toelaatbare ver overschreed. Beltman reageerde, destijds, in het geheel niet op dit boek, zo is te lezen in een artikel in het NRC. Tot afgelopen week.

Tenminste zo leek het, want ook in het laatste interview bagetaliseert hij zijn gedrag. Het was een andere tijd en ja hij had er van geleerd en zag geen enkele grond om niet gewoon aan de slag te blijven als turntrainer. Beltman stoorde zich aan het beeld dat hij de enige was en pleitte voor een cultuuromslag bij de KNGU. Hij werd op zijn wenken bediend want in de slipstream van Beltman werden ook huidige bondscoaches Wevers en in mindere maten Wiersma beschuldigd van ongewenst gedrag. In een artikel in het Algemeen Dagblad vertelde oud turnster Goedkoop als jonge turnster in Oldenzaal door Wevers te zijn geschopt en geslagen en op dagelijkse basis te zijn gekleineerd. Oud-pupillen van Wevers Wyomi Masela en Ayla Wilbrink zeiden zich deels te herkennen in het verhaal van Goedkoop, maar niet waar het ging om fysieke mishandeling.

Alleen de nuance al, het kleineren kwam dagelijks  voor, maar de fysieke mishandeling was niet voor iedereen. Ook de dochter van Wevers benoemd dat zij met name het fysieke deel niet herkent. Wevers wordt gewoon als streng ervaren, zoals een gewone vader.

Een Friese turnster beschreef dat ze elkaar na de training gewoon een hand gaven. Zij zag hem meer als een tweede vader. Nu ben ik misschien geen goede vader maar volgens mij is streng is niet synoniem aan kleineren en vernederen. Bij fysieke mishandeling is menig vader uit de ouderlijke macht gezet. Als verklaring wordt genoemd dat deze trainers de trainingsmethoden uit het voormalig Oostblok en China copieërde omdat zij dachten dat dit nodig was voor het neerzetten van prestaties.

De algemeen directeur van de KNGU gaf in OP1 aan dat ongewenst gedrag moeilijk bewijsbaar is. Wat is nu grensoverschrijdend is moeilijk vast te stellen.
Ik ben begin jaren 90 van de vorige eeuw afgestudeerd op het toepassen van dwangmiddelen binnen de ouderen psychiatrie. Ouderen werden daar dagelijks nog in bed gefixeerd, achter een plankje in een stoel gezet, alles om te voorkomen dat mensen zouden gaan lopen en, in het verlengde, zouden vallen. Daar moest altijd een melding van worden gemaakt en telkens werd dan aangegeven dat de cliënt geen bezwaar had. Ik vond daar wel wat van, want was huilen, verdrietig kijken, niet óók een signaal? Het moment dat ik had aangegeven dat ik onderzoek wilde doen naar dit onderwerp werd mij dit door, notabene de opleiding, afgeraden. Het zou namelijk een nogal gevoelig onderwerp zijn.

Bij de KNGU wisten ze van de hoed en de rand, zou je denken. Een tweetal ex turnsters hadden al een boek uitgebracht over deze manier van training geven en ook de een inmiddels oud bestuurder had, naar aanleiding van een eerder onderzoek, al aan de bel getrokken.

De directeur van de KNGU benoemde dat er best al wel dingen waren veranderd. Vroeger kreeg als kind puntenaftrek als je een broekje onder je turnpakje droeg. Ik moest terug denken aan de balletjuf van mijn dochter. Zij danste bij Danstique en onder een balletpakje mocht echt helemaal niets. Zij kreeg als kleuter ook geen kleurplaat toen ze bij Ariël de kleine Zeermeermin aan de kant bleef zitten en in tranen opbiechte dat ze nog niet kon zwemmen, nadat de balletjuf vertelt had dat de hele vloer een diepe oceaan was. Bijna griezelig en dan bedoel ik niet de oceaan.

Is de grens niet gewoon het kind? In Turn zagen wij een jochie die, in tranen, nog even geholpen werd met het actief stretchen. Wie de top wil halen moet pijn leiden, zoiets zal het zijn.

Wevers kwam recent met een verklaring naar buiten. Hij ontkent dat hij turnsters geschopt en geslagen heeft. Het andere deel, het geestelijk mishandelen, dat vind hij, met de kennis van nu, niet goed. Het wegen van jonge meiden was met terugwerkende kracht niet goed. Ergens lijkt er een gat tussen het wat de turnsters verklaren en het geen wordt benoemd. Het onderzoek van de KNGU, dat is aangekondigd, zal daar wellicht uitsluitsel over geven. Wij moeten dit even afwachten daar met eerdere onderzoeken, zo lijkt het, weinig meegedaan is.

De ontboezemingen en de reacties volgen elkaar in rap tempo op. Aan de ene kant is dit schokkend, aan de andere kant is dit ook wel goed. Er kan nu over gesproken worden en wellicht leidt dit tot veranderingen.

De KNGU ligt onder vuur. Iedereen buitelt over elkaar heen. Ik vroeg mij af of het bij andere sporten echt zo veel anders is. Het turnen is al heel lang een sport waarbij kinderen op hele jonge leeftijd op top niveau moeten presteren. Zij waren daarin destijds vrij uniek. Toen ik, ik zat destijds ik de 6e klas, ging volleyballen moest ik eerst maar een jaartje trainen. Volleybal was zo’n moeilijke sport. Eerst maar de sport leren, wedstrijden kwamen later en in die wedstrijden ook nog eens prestaties neerzetten kwam daarna. Met het circulatie volleybal werd de drempel lager en werd het spelen van wedstrijden eenvoudiger en werd ook de grens waarop prestaties geleverd moesten worden lager. Ik weet nog dat ik, nu al weer lang geleden, een artikel schreef over het team dat ik trainde. Een damesteam waarin naast enkele moeders van rond de 30 ook een tweetal meisjes uit groep 8. Talenten, dat zonder meer, maar het verschillen in de belevingswereld tussen de moeders en de meiden die vlak voor hun Cito toets stonden waren enorm. Ik zette daar wel vragen bij. Inmiddels is het doorselecteren de normaalste zaak van de wereld.

In het voetbal was men lang wars van doorselecteren. Spelers moesten alle fasen doorlopen. Daarop was één uitzondering, al het ‘talent’ dat vroeg selecteert zijn weg vond richting een of andere betaald voetbalclub. Enkele weken geleden kopte het Sport voetbalmagazine dat het verontrustend was wat wij kinderen aan deden. In een lezenswaardig artikel zette Michel Bruijnickx uit een wat er allemaal mis was in het voetbal. Daarbij had hij het niet eens over die schreeuwende en coachende trainers. Daar moeten kinderen maar mee leren omgaan, hoor ik vaak langs de lijn. Als je de top wil halen moet je mensen als Derksen van Gijp maar laten wel gevallen en je kan er niet vroeg genoeg mee beginnen, het afzijken, het kleineren van jonge kinderen. Aan de ene kant plaatsen wij in het voetbal talentjes mega snel op een voetstuk maar als het even tegenzit wordt dat voetstuk met dezelfde snelheid ontmanteld.

Echt trainers, van de oude stempel, zoals in het turnen, je komt ze overal tegen. Natuurlijk wordt in trainerscurussen aandacht besteed aan zoiets als positief coachen, aan de pedagogiek van de sport. Toch kom je ze nog tegen, trainers die een kind dat minder goed is, ook minder laten spelen. Je komt ze nog tegen, trainers die in een TC vergadering gewoon beloven dat een minder talentvol kind, voor de kerst de vereniging verlaten heeft. Zijn wij het het volleybal, in het voetbal, veel beter? Durven wij kritiek te leveren op de turnsport en daarbij tegelijkertijd met opgeheven hoofd in de spiegel te kijken?

 

 

 

Wat wij kinderen aandoen

Wat wij kinderen aandoen

In juni van dit jaar kopte het Sport voetbalmagazine:

‘Het is erg verontrustend wat wij kinderen in het voetbal aandoen’

Schrijver van dit, op zich lovenswaardig artikel, was voetbaltrainer en pionier op het gebied van het Breincentraal leren, Michel Bruijnickx. Hij vraagt zich af of het nog langer verantwoord is om wetenschappelijke knowhow met zo’n positieve impact op het leven van kinderen links te laten liggen.

Het artikel volgt dan met verwijzing naar artikelen waarin duidelijk wordt gemaakt dat het rendement van de jeugdopleiding in België erg laag is. Daar komt bij dat zelfopgeleide spelers in België, in vergelijking met andere topcompetities erg weinig speeltijd krijgen. Overal in Europa worden de noodklokken geluid. In Duitsland heeft Bayern Munchen, zo vertelt Bruininckx, een deel van zijn jeugdopleiding opgedoekt en werden er in 2019 overall, maar liefst 3450 minder jeugdteams ingeschreven. Bruijnincks verwijst vervolgens naar Gary Lineker, die in Engeland al langer waarschuwt voor de negatieve sfeer in het jeugdvoetbal. In het artikel waar naar verwezen wordt gaat Lineker  niet van leer tegen de clubs maar tegen de ouders die volgens hem gewoon hun kop moeten houden en kinderen niet zo moeten pushen.

Lees de rest van dit bericht

Negatief

Duncan won, namens Nederland, het Eurovisie Songfestival. Half Nederland viel echter over de commentator, Jan Smit. De man was onbeschoft, was negatief en had er geen verstand van.

“Dat uitgerekend hij iets moet zeggen over de vraag of iemand vals zingt of niet.”

Nu kan je daar wat van vinden en dat deed ik dan ook, maar ik kreeg direct terug dat hij tenminste wel de waarheid vertelde.
Smit is echt niet de enige die onder het mom van de waarheid publiekelijk iedereen te kakken zet. Bij VI doen ze dit al jaren en, gezien de kijkcijfers, met veel succes. Van de Gijp en Derksen braken al jaren wat hen goed deugd. Kantinepraat, wordt er dan gezegd, het valt allemaal wel mee. Nu geloof ik best dat mensen, als ze iets te veel op hebben, meer zeggen dat goed voor hun is maar om dat nu te cultiveren is wel erg goedkoop.

Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: