Site-archief

Vroeg rijp, vroeg rot

Er is zo’n aanname dat alles wat goed is snel komt. Wij kennen echter ook dat gezegde van vroeg rijp, vroeg rot. Zijn wij in staat om al op hele jonge leeftijd te voorspellen welke kinderen op latere leeftijd gaan uitblinken? Er zijn veel kinderen die al heel jong het label ‘talent’ kregen die het bij nader inzien niet bleken te zijn.

Absoluut er zijn ook kinderen die al jong in beeld waren, talentvol bleken te zijn en op jonge leeftijd tot grote prestaties kwamen. Bjorn Borg was daar een voorbeeld van, ook Simone Biles is een sporter die op jonge leeftijd op wereldniveau presteerde. Ook mag in dit rijtje Bukayo Saka in dit rijtje niet ontbreken. Deze 19 jarige jongen stond in de finale van het EK en zou als laatste in de strafschoppen serie een strafschop nemen. Hij zou het voetbal terug naar huis brengen. Hij faalde en daarna viel een halve natie over hem heen. Tijdens de Olympische Spelen trok Biles zich op enkele onderdelen terug. Zij kon het niet meer aan. In de aanloop naar de Spelen was duidelijk geworden dat de zijn sexueel misbruik was door de ploegarts. Biles vroeg tijdens de Spelen ook aandacht voor de mentale druk die op jonge sporters gelegd wordt. Iets soort gelijks, speelde ook in de Nederlandse Turnwereld. Hier was, voor zover ik weet, geen sprake van sexueel misbruik maar bleken meerdere turnsters jaren lang geestelijk mishandeld, vernederd te zijn. Waar Biles tijdens een rechtzitting eerder deze week aangaf dat de FBI een oogje dicht had geknepen was het in ons land de bond zelf die, laten we zeggen, een oogje dicht hadden geknepen. Niet dat hier ook sprake was van seksueel misbruik, het ging in ons land meer om machtsmisbruik, om grensoverschrijdende trainingsmethodes. De bond zou hier al jaren van de op hoogte zijn geweest, maar niet hebben ingegrepen. Alles voor het resultaat. Uiteindelijk zette de bond een aantal trainers, hangende een onderzoek, op non actief. Iets wat kort voor de Olympische Spelen tot de nodige onrust leidde.

Inmiddels zijn de Spelen al weer lang achter de rug en moest ik, heel bijzonder, terug denken aan de marathon. De zilveren medaille van Nederland bij de mannen en hoe deze atleet zijn goede vriend, een Belg, stimuleerde om in de laatste kilometers het uiterste uit zich zelf te halen. Het plezier dat hij uitstraalde was voor mij het voorbeeld van de Olympische gedachte. Nog meer moest ik echter denken aan die belgische atlete die zich tijdens haar allereerste marathon plaatste voor de Spelen. Een vrouw die pas op latere leeftijd ging hardlopen en die in Japan pas haar tweede marathon ooit liep. Zij had nog geen idee hoe je nu zo’n marathon indeeld en toen zijn zag dat ze nog maar vijf kilometer behoefde te lopen dat ze dat is van huis naar de supermarkt , dat ga ik wel redden.

Wat mij al langere tijd enorm bezighoudt is de vraag of wij kinderen niet gewoon hun sport terug moeten geven. Gaat het niet heel simpel om bewegen en plezier in plaats van die focus op resultaat, op het vroeg labelen, in hokjes stoppen van kinderen. Is die ratrace met kinderen niet gewoon iets soort gelijks als een wapenwegloop? Iemand anders begint, jij bent bang dat je achter gaat lopen dus doe je mee, sterker je gaat net een stapje verder. De ander denkt, wat gebeurd mij nu en gaat weer een stapje verder, waarop jij je dan weer genoodzaakt ziet om op te reageren. Is het niet gewoon heel vreemd om onze volwassen normen en waarden op de jeugdsport te plakken?

In een recente column deed Thijs Zonneveld een oproep tot ‘een mentaliteitsverandering in de hele samenleving’. Een wat populitisch pleidooi volgde:

Het is een bizarre paradox. Aan de ene kant zijn we obsessief bezig met gezondheid, met IC-cijfers en met de besmettingsgraad. We kieperen miljarden en miljarden in de gezondheidszorg. 

Dit statement werd gevolgd door een oproep om meer aandacht en vooral geld te investeren in de sport. Iets waar je het nog mee eens kon zijn ook, alleen kwam daarna de dubbele bodem te voorschijn.

We pretenderen een land te zijn met een sportcultuur, maar dat is vooral omdat we ons blindstaren op de toptien van het landenklassement op de Olympische Spelen. Meejuichen met successen, dat kunnen we goed. Maar we stellen zelden de vraag hoe al die sporters op dat niveau zijn gekomen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat er in de toekomst ook sporters doorbreken. Bij veel sportbonden lopen de ledenaantallen, zeker onder jongeren, al jaren gestaag achteruit. De vijver wordt kleiner en kleiner, maar we zien het niet omdat we te druk zijn met onszelf te bewonderen in de medaillespiegel.  

Het aantal leden van sportbonden loopt inderdaad achteruit, maar misschien komt dit wel omdat sportclubs, bonden misschien wel te veel met die prijzen, die medailles kijken en vergeten dat niet sport een eerste levensbehoefte is maar spel en bewegen. Willen wij werken aan onze gezondheid, de ziekenhuisopnames naar beneden brengen, zitten wij niet te wachten om een grotere vijver en nog meer Olympische medailles, dan moeten wij aandacht besteden aan bewegen, aan het spel en in het verlengde aan het plezier. Wij moeten alles namelijk ook nog eens een levenlang volhouden.

 In beweging blijven - RIVM Corona Gedragsunit

Denken in achterstand, creëert achterstanden

Wij hebben het, zo langs de lijn, op de tribune, niet zelden over kinderen die minder getalenteerd lijken. Al eerder schreef ik een artikel over het feit dat wij bij de club onze eigen waarheid realiseren. Wij laten kinderen afvallen omdat een kind, volgens onze, subjectieve waarneming, minder talentvol is. Trainers selecteren ook niet op de lange termijn, ze bekijken met wie zij op de korte termijn, het beste zouden kunnen presteren. De kinderen die geselecteerd worden mogen meer trainen, krijgen ook betere trainers en zie hier de self fulfilling prophecy. Dat is wat wij talentontwikkeling noemen. Het probleem is ook niet dat wij kinderen hebben die op enig moment minder talentvol lijken en, op dat moment, misschien ook wel zijn. Het probleem is dat wij in ons land erg gewend om kinderen te vergelijken. Het is volstrekt normaal om van jongsaf kinderen te selecteren. Wij meten en vergelijken wat af. Ik weet niet hoe het jullie is, maar wij vergeleken vroeger geregeld onze cijfers na een toets met elkaar. Voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde vond ik dat niet zo’n probleem. Bij de vakken Engels en vooral Frans vond ik dat een stuk minder grappig. Het gebeurde niet zelden dat thuis gevraagd werd hoe anderen een toets gemaakt hadden. In de sport doen wij niet anders. Het hele idee van competitie is gebaseerd het vergelijken met anderen. Toch zijn ook daar de omstandigheden niet gelijk, niet iedereen heeft dezelfde trainingsomstandigheden, traint ook evenveel uren. In 1985 werd ik met mijn team 3e op het NK. De top 10 trainde een gelijk aantal uren. Het jaar daarna haalde ik niet eens de eindronde. Het jaar daarop werd ik 7e. Ondertussen trainde wij nog steeds 1x in de week, maar onze tegenstanders in de eindronde, allemaal 2 of meer keren per week. Het verschil was gemaakt. Alweer enige tijd geleden schreef ik een verhaal over Thijs. Thijs viel af bij de selectietrainingen. Zijn vriendje Sjors werd wel gelecteerd. Sjors kreeg een betere trainer, kreeg betere trainingsvoorzieningen en ging ook direct fors meer uren trainen. Na nog geen half jaar was Sjors beter dan Thijs. Thijs haakte na verloop van tijd, een illusie armer, af.

Ergens is vergelijken met anderen erg gewoon. Schieten wij er erg veel mee op? Helpt het ons veel verder?

Het zou helpen als wij allen gelijk waren, als de omstandigheden voor iedereen ook gelijk zouden zijn. Ik hoop dat het een open deur is als ik toch moet concluderen dat niet iedereen gelijk is, niet iedereen gelijke kansen krijgt, de omstandigheden voor niet iedereen gelijk zijn. Wat heeft vergelijken dan voor zin, behoudens dat de conclusie dat je weet dat iemand die 4x per week traint wellicht beter zal zijn dan iemand die slechts 1x per week traint?

In het onderwijs lijken testen het ultieme doel geworden. In plaats van het leren leren, de kinderen voor te bereiden op een volwaardige deelname aan de maatschappij worden kinderen dood gegooid met testen. Er moet gemeten worden. Ja, eens, meten is weten maar wat weten wij dan na een test? Meten wij dan wat een kind weet of meten wij direct de ondersteuning die het kind van huis uit mee krijgt mee? Meten wij ook het feit dat een kind thuis niet (altijd) de beschikking heeft over een computer of een rustige werkplek? Meten wij niet ook de mate waarin een kind stressgevoelig is mee en mocht een kind stress gevoelig zijn, meten wij dan ook waar dat door komt? Ik heb in mijn kennissenkring ouders die hoge cijfers enorm belangrijk vinden. Er moet gepresteerd worden. Onze samenleving draait nu eenmaal om presteren, om beter zijn dan de rest.

Uit onderzoeken weten wij dat een al te zeer gericht zijn om prestatie leidt tot drop outs. Kinderen, maar ook volwassen sporters stoppen dus vaker als hun trainer al te zeer gericht is op prestaties. Toen ik dat las vroeg ik mij af waarom kinderen toch ooit waren gaan sporten. Waarom gaan kinderen voetballen? Waarom gaan kinderen volleyballen of hockeyen, of misschien turnen? Ik ging als kind op volleybal omdat ik het spelletje leuk vond. Bij de club leerde ik vrienden kennen. Er zijn er ook die een bepaalde sport gaan beoefenen omdat vriendjes dat ook doen. Een enkeling gaat een sport doen omdat ouders die sport ook beoefenen. Ik geef toe, mijn jongste zoon ging volleyballen omdat het voor ons logistiek handig was. Ik was actief in het volleybal en ook onze andere twee kinderen volleybalde. Hij vond volleyballen echter niet echt leuk en stopte daar ook snel mee. Hierna is gaan tennissen. Op zich vond hij dit leuk alleen mocht hij alleen maar trainen. Tennis was zo’n moeilijke sport, hij moest eerst maar een jaartje of zo alleen gaan trainen. Die ontzettend foute gedachte was ook in het volleybal langere tijd zeer gangbaar. Ook in het volleybal vonden wij dat onze sport zo moeilijk was dat kinderen eerst maar eens een paar jaar moesten trainen voordat ze wedstrijdjes mochten spelen. Heel veel kinderen vonden het om die reden al heel snel niet heel erg leuk meer en haakje af. Na het tennissen volgde het voetbal en op dat moment vonden wij het niet heel erg leuk. Het was te hard, te zwaar maar …. ze mochten wel direct wedstrijdjes spelen. Belangrijker was, maar ik geef toe, het duurde even voor ik zover was, hij vond het fantastisch. Voetbal was leuk en niet onbelangrijk. Zijn vriendjes voetbalde. Geen enkel kind gaat een sport beoefenen met het voorop gezette plan om wereld of Olympisch kampioen te worden of er op termijn zijn of haar geld mee te gaan verdienen. Dat zijn doelen die veelste ver liggen. Het kan best op enig moment in beeld komen, maar dat zijn het wij, de ouders, de trainers die dergelijke vergezichten schetsen.

Ik ben altijd een trainer geweest die methodisch wilde werken. Wat kan mijn team op dit moment? Wat moeten ze nog leren (lees wat kunnen ze nog niet) en wat zou ik ze in een seizoen kunnen leren? Met die informatie maakte in een plan. Van week tot week beschreef ik wat er geleerd moest worden. Ook ik gebruikte testjes om te kunnen bekijken wat de stand van zaken was. Het enige verschil was dat ik géén vergezichten schetste, zelfs het winnen van wedstrijden was niet een doel. Ik heb altijd twee doelen gehad, dat was leren volleyballen en plezier voor iedereen in de groep. Los van dat plezier ging ik mij dat doel om te leren volleyballen uit van wat mijn spelers niet beheerste, wat ze niet konden. Ik was mij nog niet zo bewust van het feit dat alles wat je aandacht geeft groeit. Met andere woorden dat ik met al mijn aandacht op alles wat niet goed ging het misschien wel steeds minder goed ging en ik het dus goed aan het verprutsen was. Hockeycoach Marc Lammers legde dit ooit perfect uit.

In het verlengde hiervan bevindt zich ook de constatering dat denken in achteruitgang ook achteruitgang creëert. Begin dit jaar publiceerde het Brabants Nieuwsblad hier een artikel over.

Het échte probleem is niet het verschijnsel van leerachterstanden, maar het feit dat we het volstrekt normaal vinden dat we kinderen al van jongs af aan vergelijken en selecteren. Dat belemmert hun ontwikkeling.

Even verder op staat te lezen “Kinderen die steeds vergeleken worden met anderen en minder goed presteren, raken eerder gedemotiveerd. Een self fulfilling prophecy.” Hier gaat het een klein beetje over Thijs.

Dan wordt in het artikel geconstateerd dat het spreken in achterstanden niet alleen schadelijk is voor kinderen en hun ontwikkelingspotentieel, maar ook een belediging voor alle leraren en ouders die zich hebben ingespannen om te doen wat mogelijk is onder deze bizarre omstandigheden. Of het nu een belediging is voor leraren en ouders waag ik te betwijfelen. Het waren toch die leerkrachten en die ouders die steeds aan het vergelijken waren? Het zijn niet de kinderen die in net NOS journaal komen melden wat de gemiddelde CITO score dit jaar was. Hij zijn niet de kinderen die aan die CITO score een advies koppelen voor een eventuele vervolg opleiding. In de sport kennen wij diezelfde drang met betrekking tot meten, ook wij kennen dat ultieme meetmoment, de selectietraining. Het verschil met het onderwijs is dat wij in de sport kinderen direct afserveren. Thijs haakte uiteindelijk af. Wij blijven ook in de sport ronddobberen in een heel fout paradigma. Wij gaan er volledig aan voorbij dat ontwikkeling niet lineair verloopt. Elke ontwikkeling heeft zijn eigen tempo. Iedereen krijgt vroeg of laat te maken met tegenslag, haperingen maar ook versnellingen.

Het denken in achterstand, creeërt achterstanden. Gaan wij uit van kinderen die het op enige moment wel kunnen en zetten wij dat af tegen kinderen die het niet kunnen creëren wij onze eigen waarheid en daarmee doen wij kinderen echt te kort. Wij leven onze eigen waarheid, volledig in de mist van waar wij varen. Het wordt tijd dat wij ophouden met selecteren, met kinderen af te schrijven voor ze nog begonnen zijn zich te ontwikkelen.

Varen bij slecht zicht of mist - Varen doe je samen

Bronaanpak

Ik was net 17 toen ik, als assistent, mijn eerste team trainde en coachte. De meiden die ik trainde waren net iets jonger. Ik volgde een interne trainerscursus binnen de club. Af en toe kreeg ik wat documentatie mee om, ter voorbereiding, door te lezen. Heel geleidelijk mocht ik steeds meer onderdelen van de training verzorgen. Na iedere training had ik even een kort gesprekje met de hoofdtrainer over hoe het was gegaan en wat beter kon. Een jaar later trainde ik mijn eigen team. Ditmaal een jongensteam, andermaal spelers van ongeveer mijn eigen leeftijd. Dat seizoen volgde ik de ABO cursus, de algemene basis opleiding voor startende trainers. Een jaar daarna, andermaal, een jongensteam. Een team met daarin een van mijn broers. Ik dacht dat ik dit wel kon, als het maar leuk was. Bij ons op zolder stond een oude deur, de klinken waren er af. Als je die nu plat legt heb je een mooie gladde vloer, dacht ik. Mijn broer kreeg extra training.

In mijn voorlaatste blog beschreef ik al het hele proces dat ik doormaakte. Van fanatiek, bevlogen, gepassioneerd tot het moment dat ik mij realiseerde dat er meer was dan alleen de sport. Het moment dat ik mij besefte dat winst niet ging over winnen van de ander, maar dat winnen ging over beter zijn dan dat jezelf gisteren was. Het moment dat gewoon jezelf zijn ook helemaal prima was.

Lees de rest van dit bericht

Negatief

Duncan won, namens Nederland, het Eurovisie Songfestival. Half Nederland viel echter over de commentator, Jan Smit. De man was onbeschoft, was negatief en had er geen verstand van.

“Dat uitgerekend hij iets moet zeggen over de vraag of iemand vals zingt of niet.”

Nu kan je daar wat van vinden en dat deed ik dan ook, maar ik kreeg direct terug dat hij tenminste wel de waarheid vertelde.
Smit is echt niet de enige die onder het mom van de waarheid publiekelijk iedereen te kakken zet. Bij VI doen ze dit al jaren en, gezien de kijkcijfers, met veel succes. Van de Gijp en Derksen braken al jaren wat hen goed deugd. Kantinepraat, wordt er dan gezegd, het valt allemaal wel mee. Nu geloof ik best dat mensen, als ze iets te veel op hebben, meer zeggen dat goed voor hun is maar om dat nu te cultiveren is wel erg goedkoop.

Lees de rest van dit bericht

Buitenspelen moet!

Kinderen spelen te weinig buiten. Met name kinderen van hoogopgeleide ouders spelen te weinig buiten, zo blijkt uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van Jantje Beton. Vroeger heb ik nog voor Jantje gecollecteerd, geld opgehaald voor meer speeltuinen, meer speelgelegenheden voor kinderen. Voor iedereen die niet weet wat Jantje Beton is, Jantje Beton is, Jantje Beton is hét goede doel dat zich samen met kinderen inzet voor meer en uitdagender speelruimte en meer speeltijd. Op de website van Jantje Beton met kapitaal grote letters dat wij nooit moeten stoppen met spelen. Nu is het probleem met kinderen van hoogopgeleide ouders niet dat zij nooit spelen, maar zij spelen te weinig buiten. Sommigen van deze kinderen spelen nooit buiten. Het blijkt dat het hoogopgeleide ouders moeite hebben om hun kinderen naar buiten te krijgen. Ook blijkt dat zij te weinig tijd hebben om actief aan te moedigen om buiten te gaan spelen. Kinderen van hoogopgeleide ouders blijken wel te spelen, maar dan achter een beeldscherm. Zij gamen vaker dan dat zij buiten gaan ravotten, gaan voetballen, in bomen klimmen, verstoppertje spelen. Je kan je afvragen of dat erg is. Is spelen niet synoniem aan spelen?

Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: