Site-archief

Ouders

Het wordt een soort terugkerend fenomeen. Ouders liggen weer onder vuur. Werden ouders eerst aangeduid met de term Curling ouders als je eens kwam vragen hoe het met je kind ging. Sinds enige tijd weten wij ook dat er ouders zijn die keiharde chantagepraktijken hanteren om hun kind in het gewenste selectieteam te krijgen. Dat zijn geen curlingouders meer, dat zijn leden van een criminele organisatie die bij wet verboden zouden moeten worden.

De voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee. Niet alleen de voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee, ook bij bij DETO en Dos ’37 hebben ze hier ervaring mee. .Ouders zijn een soort onkruid, het woekert. Ook in het onderwijs heeft men moeite met ouders. Op een congres voor onderwijzers trok Pieter Derks, als nieuwbakken schoolpleinvader, het boetekleed aan. Heel nederig vertelde hij ná 1 jaar schoolplein ervaring tot de conclusie te zijn gekomen dat niet de werkdruk, de regels, de personeelstekorten een probleem zijn maar dat ouders het grootste probleem zijn. De moeder aller problemen zijn wij. De zaal met onderwijzers klapte enthousiast. Het was herkenbaar. Een ouder van een kind met een glutenallergie, dat ook nog hoogbegaafd was, was toch wel het ergste wat je kon overkomen. Zoek het lekker uit, was het motto.

Wij vinden allemaal ons kind uniek  en willen het aller beste voor ons kind. Een warm pleidooi om kinderen niet te pamperen, kinderen weer gewoon te zien als onderdeel van de klas, gewoon iedereen over een kam en dat hoog begaafde kind met een gluten allergie geef je gewoon een bakje water met maismeel want die kan er best zelf een koekje van maken.

“Je moet niet de weg voorbereiden op het kind, je moet het kind voorbereiden op de weg”

De weg is niet ideaal en daar moet een kind maar mee leren omgaan. Een waarheid als een koe. Als het fout gaat, dan gaat het maar fout daar leer je van. Het gaat er ook niet om hoe vaak je valt, het gaat er omdat je wel altijd weer op staat.

Nu gebeurd dat in de GGZ, de sector waar ik al jaren werkzaam ben ook, mensen voorbereiden op de weg, maar als het daar een keer mis gaat zeggen we niet, jammer joh, gewoon weer opstaan en opnieuw proberen.

Waarom zien wij kinderen maar ook cliënten binnen de GGZ als een soort homogeen samengestelde groep? Waarom zijn wij niet in staat om hier onderscheid in te maken? Waarom kunnen wij een mens niet als individu zien? Ook binnen de sport zijn wij niet in staat om kinderen als een individu te zien, wij zijn niet in staat om tegen een kind te zeggen, “jammer joh, volgende keer beter. Als je dat en dat nog weet te verbeteren.”

Het is al weer heel wat jaren geleden. Ik had een afspraak voor een 10 minuten gesprek met de meester van groep 8. Mijn oudste zoon had moeite met rekenen en ik wilde  graag met de leerkracht in gesprek over hoe hij, hoe wij, hem daar het beste bij konden helpen. Binnen 2 minuten ging de leerkracht over in een wervend verhaal over hoe hij de klas rekenen leert. Een betoog dat ik snel moest afkappen omdat een 10 minuten gesprek echt maar 10 minuten duurt en ik echt maar 1 kind in zijn klas had. De beste man wist even niet hoe nu verder. Hij was niet in staat om een kind als individu te zien. Hij zag, zo bleek, de klas als de som der gemene delers. Hij was vrij slecht in staat om te vertellen wat mijn zoon nu anders zou moeten doen, zelfs een beschrijving van de stand van zaken was, ondanks alle toetsen die uitgevoerd werden, natte vinger werk.

Ook de teamindeling bij voetbalclubs is veelal een subjectief gebeuren. Het is het beter gissen. Trainers hebben vaak geen idee hoe iemand presteert, laat staat hoe het proces er over de langere termijn inziet. Kinderen kunnen jaren lid zijn van een club maar toch elk jaar weer die selectietraining, alsof elke trainer zijn eigen wiel weer moet uitvinden. Trainers zijn, net als die leerkracht uit groep 8 in het geheel niet in staat om uit te leggen waarom een kind niet geselecteerd is en nog veel moeilijker blijkt het om een kind te vertellen wat hij of zij moet doen om het seizoen er na meer kans te maken om geselecteerd te worden.

Wil je als clubbestuur gemopper en gedoe voorkomen doe je er goed aan vooraf na te denken over waarom je doet wat je doet, waarom je de besluiten neemt die je neemt. Kortom zorg dat je goed beleid hebt en zorg dat je hier ook transparant over bent. Zorg voor  een overdracht van trainer naar trainer. Zie het kind als individu, lever maatwerk.

Heb je geen beleid,  is het proces van de teamindeling vaag en de communicatie over dat proces niet transparant dan roep je het commentaar over jezelf af. Kom uit die ivoren toren, communiceer met je ouders, met de jeugd. Ouders willen het beste voor hun kind, daar is niets mis mee, maar ouders kunnen best accepteren dat dit niet hun kind misschien niet de nieuwe Messi is. Denken dat je kind dat is terwijl zijn of haar talenten misschien wel heel ergens anders liggen wordt een kind en in het verlengde de ouders, ook niet gelukkig van. Kinderen, en ook ouders, willen wel uitleg. Waarom is een kind niet geselecteerd, wat kan het nog niet, wat zou het nog moeten leren? Dat is het minste dat je zou moeten kunnen vertellen. Laten wij de weg niet voorbereiden op de trainers en de clubbestuurders maar laten wij de trainers en bestuurders een voorbereiden op de weg.

Keuzes maken

Een discussie op Twitter met mijn goede vriend Remko Kenter, dè man achter de jeugdsuccessen van Sliedrecht Sport leverde mij de nodige stof tot nadenken. Aanleiding vormde het voorwoord van de hoofdredacteur van de Volley Techno. In zijn voorwoord luidde hij de noodklok over de afname van het aantal jeugdigen dat nog gaat volleyballen. Remco vroeg zich af of de bondsraad dit onderwerp niet op de agenda zou moeten zetten.

Ik vroeg mij af of dit niet méér een maatschappelijk probleem is dan een probleem dat alleen het volleybal raakt.  Remko is een warm pleit bezorger van het standpunt dat in het volleybal het spel aantrekkelijker gemaakt kan worden en dat daardoor de uitstroom in ieder geval minder zal worden. Wij kennen elkaar langer dan vandaag en ik bracht daar tegen in dat dat wij best wat meer vertrouwen mochten hebben in ons eigen product. Ik was lid van de landelijke werkgroep mini-volleybal toen het circulatie mini-volleybal werd geïmplementeerd. Voordat deze methodiek geïmplementeerd kon worden moest er al het nodige water door de Lek. Het spel dat decennia geleden door Adrie Noy werd bedacht moest eerst aangesloten worden op het mini-volleybal zoals wij dat sinds het mini-massaplan in ons land kende. Er moesten uniforme regels komen en er moest voor een ieder een logische en doorlopende leerlijn ontwikkeld worden. Dat logisch en doorlopend is de jaren daarna continu een punt van discussie geweest. Jaarlijks werden in de landelijke werkgroep de spelregels geëvalueerd en niemand keek verbaasd als bleek dat er ergens in ons land een regio was waar men, tussen de bestaande vaardigheidsniveaus, een extra niveautje toegevoegd was. Dat heette maatwerk. Het CMV, zoals dat later is gaan heten, leverde een enorme aanwas aan nieuwe leden bij de kinderen in de basisschoolleeftijd maar wat bleek voornamelijk meisjes wisten de weg richting de volleybalclub te vinden. Jongens gingen nog steeds voetballen, hockey, tennis, noem het maar, ze gingen wat anders doen. Het CMV was niet voldoende. Adrie verdiende een standbeeld maar Lees de rest van dit bericht

Buitenspelen moet!

Kinderen spelen te weinig buiten. Met name kinderen van hoogopgeleide ouders spelen te weinig buiten, zo blijkt uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van Jantje Beton. Vroeger heb ik nog voor Jantje gecollecteerd, geld opgehaald voor meer speeltuinen, meer speelgelegenheden voor kinderen. Voor iedereen die niet weet wat Jantje Beton is, Jantje Beton is, Jantje Beton is hét goede doel dat zich samen met kinderen inzet voor meer en uitdagender speelruimte en meer speeltijd. Op de website van Jantje Beton met kapitaal grote letters dat wij nooit moeten stoppen met spelen. Nu is het probleem met kinderen van hoogopgeleide ouders niet dat zij nooit spelen, maar zij spelen te weinig buiten. Sommigen van deze kinderen spelen nooit buiten. Het blijkt dat het hoogopgeleide ouders moeite hebben om hun kinderen naar buiten te krijgen. Ook blijkt dat zij te weinig tijd hebben om actief aan te moedigen om buiten te gaan spelen. Kinderen van hoogopgeleide ouders blijken wel te spelen, maar dan achter een beeldscherm. Zij gamen vaker dan dat zij buiten gaan ravotten, gaan voetballen, in bomen klimmen, verstoppertje spelen. Je kan je afvragen of dat erg is. Is spelen niet synoniem aan spelen?

Lees de rest van dit bericht

De uitdager uitgedaagd

Ik had laatste een discussie met een trainer. De man had, vond hij, een heel vervelend team.

“Wat is nu moeilijk team?”
“Nou, dit team, wat een drama!”

Vaak zegt zo’n trainer dat hij de groep niet aan kan, dat de kinderen lastig zijn en vraagt hij zich serieus af of de kinderen de sport die zij doen wel leuk vinden. Hoe komt dit en is dit ook altijd waar?

Laat ik maar direct een stelling deponeren; er bestaan geen lastige en moeilijke kinderen. Er is slechts sprake van gedrag dat als moeilijk, als lastig ervaren wordt. Er bestaat geen moeilijke jeugd, er bestaan slechts trainers die daar maar moeilijk om kunnen gaan met bepaald gedrag. Wat zijn nu grootst gemene delers als het gaat om moeilijk gedrag? Veel trainers zien de jeugd als niet serieus ongeïnteresseerd en ongemotiveerd. Ze komen vaak te laat, zeggen vlak voor de training pas af of komen gewoon helemaal niet, zonder af te zeggen. Ze zijn onsportief en nemen anderen daar in mee.

Trainer in de groep

Ik houd er van  om alles in een bredere context te plaatsen. In mijn beleving ontstaat gedrag altijd in interactie. Een dominante, verbaal aanwezige trainer, roept bepaald gedrag op. Een trainer die alles over zijn kant laat gaan, die niet ingrijpt als het uit de klauwen dreigt te lopen, roept bepaald gedrag op bij zijn spelers.  Als trainer maak je onderdeel uit van de groep.

 

Lees de rest van dit bericht

Vervelende ouders

Ik geeft het maar toe, ik ben ouder, ik ben vader van inmiddels drie volwassenen kinderen. Deze kinderen zijn echter ook jong geweest en ook ik stond langs de lijn, zat op een tribune en ook ik heb mijn kinderen aangemoedigd. Ik heb teams van mijn kinderen getraind, ben leider geweest van het elftal waar mijn zoon in zat. Waar clubs vroeger zaten te springen om ouders, waar men vroeger nog zei ‘Ouders graag gezien’ is het feit dat je ouder bent tegenwoordig iets waar ik mij bijna voor zou moeten schamen. Ouders zijn, tenminste in het voetbal, een bron van ergernis. Nick Veenbrink schreef hier recent een lezenswaardig blog over. Nick geeft aan dat ouders belang hechten aan de competitieve elementen in sport wat zich uit in het volgen van ranglijsten en verlangen dat hun kinderen wedstrijden winnen of kampioen worden. Hierover schreef ik eerder al een blog. Ouders willen dat hun kind het goed doet. Ouders hechten, zo benoemd Nick, ook waarde aan het verkozen worden tot selectiespeler. Het geeft vorm aan de status, aldus Nick. Ouders zijn bereid ver te gaan, hieraan bij te dragen. Als voorbeeld noemt Veenbrink een vader die gevraagd wordt leider van een elftal te worden en daar maar ja tegen zegt omdat hij er niet zeker over was dat zijn zoon in een selectie elftal zou komen. Hier voelde ik mij direct aangesproken want ook ik was leider van een jeugdelftal. Hoewel Veenbrink aangeeft ouders niet over een kam te willen scheren wordt een link gelegd met ouders die basisschoolleraren onder druk zetten om het schooladvies aangepast te krijgen. Ook de term curling ouders komt naar voren. Ouders willen hun kinderen behoeden voor tegenslag.  Zwart-wit gesteld: ouders zien zichzelf pas als goede opvoeder wanneer hun kinderen goed presteren, aldus Veenbrink.

Alles is het gevolg van de prestatiemaatschappij, ook in het onderwijs zien wij dit terug. Een schooladvies wordt niet zonder meer geaccepteerd. Binnen een prestatiemaatschappij is men gedreven door succes. Op de website van De Correspondent is een mooi artikel te lezen over onze prestatiemaatschappij. Gelukkig zijn in een wereld die draait om succes.

Wij rekenen collectief af met de zesjescultuur. Overal – van de lokale supermarkt tot aan de voetbalclub – maken we prestaties meetbaar.

Dit is de wereld waarin wij leven.  In deze prestatiemaatschappij vervullen wij allemaal een rol. Onze maatschappij is nu eenmaal zo ingericht. Op school krijgen kinderen worden vanaf de kleuterschool getoetst, worden de vorderingen van kinderen middels een leerlingvolgsysteem gevolgd en zelf een kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal ontkomt niet aan de voorschoolse educatie. Alles moet meetbaar zijn en stil stand is al heel jong achteruitgang. Op latere leeftijd komen wij functionering- en beoordelingsgesprekken tegen of, als je gelukt hebt jaargesprekken of POP gesprekken, want je moet je blijven ontwikkelen. Ook nu moet voortgang meetbaar zijn, moeten wij steeds werken aan doelen, werken wij naar deadlines.

Lees de rest van dit bericht

%d bloggers liken dit: