Site-archief

Doorgeschoten regels

Het jaar loopt op zijn eind, 2019 was, in het verlengde van 2018, een bewogen jaar. Ik ben blij dat 2019 er op zit en zie echt uit naar het nieuwe jaar. Afgelopen maand betekende ook een afscheid van de Volley Techno. Na jaren lid te zijn geweest van de redactie werd ik enige tijd na het afscheid van de redactie gevraagd om columns te schrijven.

Ook dit ligt nu achter mij. Ik sta niet meer in de zaal, ben inmiddels drukker in het voetbal dan in het volleybal. Het was de laatste maanden telkens zoeken naar een mooi thema. Toch blijf ik, in het voetbal, die volleyballer die het niet snapt.

Hoewel ik niet zo veel binding meer heb met het volleybal, viel mijn blik toch op een tweet van een goede volleybalvriend en overigens ook oud pupillentrainer, Daan Krijnen. Daan schreef het volgende:

De laatste 2 wedstrijden zouden we volgens schema tegen C1 resp C2 team spelen. In de praktijk werd dat tegen een B1 (zie eerdere tweet) resp C1. De invallersregels zijn bedoelt om jonge spelers kansen te geven. Maar zijn ze ook hiervoor? 

Voor niet volleyballers, in het volleybal kent men de volgende regel:

Een jeugdlid mag onbeperkt uitkomen in ieder hoger team dan waartoe hij reglementair behoort. Het is aan alle jeugdspelers toegestaan om zonder beperkingen uit te komen in dezelfde of een hogere leeftijdscategorieLees de rest van dit bericht

Langs de lijn

Ruim vier weken geleden speelde FC Den Bosch tegen Excelsior. Niet direct een wedstrijd waar ik voor thuis zou blijven. Gedurende wedstrijd vulde mijn timeline op Twitter zich met allerlei berichten over het staken van de wedstrijd en niet veel later een filmpje over een jongen die tot twee maal toe, zo leek het, de Hitlergroet bracht. Ik heb die avond de wedstrijd maar eens teruggekeken. Ik zag een speler die volledig overstuur was van het geen vanaf de tribune geroepen werd, K neger, K zwarte, K zwarte Piet, K katoenplukker. De scheidsrechter vertelde later dat hij zag wat dit deed met de speler en vond het niet verantwoord om de wedstrijd door te laten spelen. De wedstrijd werd gestaakt. De wedstrijd werd tijdelijk gestaakt, daar Excelsior de wedstrijd wilde uitspelen. De speler die voor alles en nog wat was uitgemaakt deed het enige dat je in zo’n geval zou moeten doen, hij scoorde. Na de wedstrijd deed de club FC Den Bosch zo’n beetje alles wat zij in zo’n geval zouden moeten doen verkeerd. De trainer noemde de speler van Excelsior een misselijk mannetje en de voorzitter van de club bagatelliseerde het hele incident. Er was niets aan de hand, het waren kraaiengeluiden die daar al klinken sinds Hans Kraaij daar speelde. De speler in kwestie deed nadat de wedstrijd tijdelijk gestaakt was het enige juiste, hij scoorde en liet de daders zien dat hij boven hen stond.

Verantwoordelijkheid

Half Nederland viel daarna over FC Den Bosch heen en terecht. Ook de KNVB stond in het beklaagdenbankje. Op haar beurt wees de bond er op dat het het toch een maatschappelijk probleem was en dat zij al genoeg deden om dit probleem te tackelen.  Onderzoek naar racisme in voetbal leidt zelden tot strafbaarstelling, stelt hoogleraar sport en recht Marjan Olfers. In het NRC gaat zij hier verder op in. Het strafrecht wordt te weinig ingezet bij racisme in het voetbal, terwijl het ook in dit geval om een strafbaar feit gaat. Justitie moet keuzes maken, ze hebben een beperkte capaciteit. Er is volgens Olfers maar één oplossing, bestuurders moeten dit gedrag niet bagatelliseren maar hier hun verantwoordelijkheid nemen. Het bestuur van FC Den Bosch bagatelliseerde het geen gebeurd was in eerste instantie en de KNVB wees in eerste instantie ook elke verantwoordelijkheid af. Het voetbal was nu eenmaal een dwarsdoorsnee van de samenleving, daar kon men niets aan doen.

Geschiedenis

Op een of andere manier is racisme sinds de VOC niet uit ons gedachtegoed verdwenen. In elke taal is Apartheid het woord om aan te duiden dat er sprake is van discriminatie. Dit is, vermoed ik, niet voor niets een Nederlands woord. Wij hebben dit uitgevonden. Racisme en discriminatie is nooit uit onze samenleving verdwenen. Je zou het bijna een traditie kunnen noemen. Het komt ook overal voor. De KNVB heeft in die zin natuurlijk gelijk. Racisme, discriminatie is een maatschappelijk probleem. Dit gaat echter verder dan zwarte Piet. Hamas, Hamas gaat over hetzelfde als het roepen van Katoenplukker. Het meenemen van opblaasbananen gaat over hetzelfde als het excuus dat het om kraaiengeluiden zou gaan. Niet alleen in de grote stadions komt dit gedrag voor. Ook bij willekeurig welke amateurclub wordt er van alles geroepen. Twee jaar geleden bij de wedstrijd tussen Harkemase Boys en VVOG ging het ook mis. De BVO’s zijn geen uitzondering. Hoewel het hele gebeuren, noem het discussie rondom het Sinterklaarfeest, steeds venijniger wordt, is racisme, discriminatie niet strikt gekoppeld aan begin december. Begin Oktober 2017 moesten spelers van PSV het ontgelden in de uitwedstrijd tegen VVV. Op 18 maart vorig jaar werd de wedstrijd van 2e klasser Columbia tegen TVC gestaakt wegens discriminerende opmerkingen van een speler van TVC richting een speler van Columbia.

Waar in Duitsland, met de Tweede Wereldoorlog nog vers in  het geheugen, men hyper gevoelig is als er sprake is van racisme doen wij in Nederland er nogal luchtig over. Ook Italië heeft duidelijk minder moeite met de eigen geschiedenis. Wij moeten het ook niet overdrijven. Wij zijn trots op onze tradities en zelfs premier Balkenende was trots op onze VOC mentaliteit. Diezelfde VOC die zijn geld verdiende met onder andere slavenhandel. Zou hij dit ook geweten hebben?

Rehabilitatie

Wij zijn aan de ene kant naïef als het gaat om racisme. Het zou van zelf ophouden omdat de meeste teams tegenwoordig ‘gekleurd’ zijn. (Racistische) spreekkoren zijn erop gericht om tegenstanders of scheidsrechters te provoceren of te intimideren te maken, niet om het eigen team uit het spel te halen.om discriminatie, schreef iemand op Twitter. Nu kom ik af en toe in een stadion en dit klopt als de speler goed speelt maar zodra deze wat minder speelt gaat dit al niet meer op. Ook eigen spelers zijn slachtoffer en wat te denken dat het racistisch toeroepen van een donkere speler van een tegenstander doet met de donkere spelers in het eigen team? Ik herinner mijn Boetius nog.

Aan de andere kant zijn wij met z’n allen niet meer in gesprek. De jongen die een wegwerpgebaar maakte tijdens de wedstrijd van FC Den Bosch werd publiekelijk aan de schandpaal genageld. Hij was, zo werd geschreven een neo-nazi die de Hitlergroet bracht en dat ook nog eens twee keer. Of zijn baas hier ook van wist? Het zal je kind maar zijn. In mocht mij ooit bezig houden met het schrijven van een beleid Ongewenst Gedrag. In dit beleidsstuk ook een paragraaf over hoe je als organisatie omgaat met het weer rehabiliteren van mensen die onterecht beschuldigd zijn van ongewenst gedrag. Zou dat voor deze jongen ook gelden?

Aan de andere kant is het tegenwoordig vrij gewoon om racistische dingen te zeggen, te delen om, als  je daar op aangesproken wordt te zeggen dat je tegenwoordig niets meer mag zeggen en dat je toch echt geen racist bent. Wat is nu het verschil tussen een racistische opmerking en racisme?  Sigrun Scheve, die bij antidiscriminatiebureau Radar werkt geeft aan dat. “Racisme is een structureel machtsmechanisme, een systeem waarin bepaalde groepen in de maatschappij minder kansen hebben.” De term structureel lijkt mij hier relevant. Iemand kan dus een racistische opmerking maken, zonder een racist te zijn. Een aantal jaren geleden schreef ik een boek over pesten in de sport. Een grap met iemand uithalen is niet per definitie pesten. Ook hier is de term structureel relevant. Wanneer je dagelijks iemand voor gek zet, vernederd, is er sprake van pesten. Dat gaat verder dan een plagerijtje. Een racistische opmerking wordt dus racisme als het structureel voorkomt.

Iedereen is er klaar  mee

Iedereen is er klaar mee en niet alleen in ons land, maar voorlopig blijft het bij symbolische acties, al hebben sommige ook dat niet begrepen. Een gezamenlijke foto achter een spandoek. Een minuut geen voetbal aan het begin van de wedstrijd. Scherpe interviews, waarin gesteld worden dat spelers het veld aflopen als het nog een keer voorkomt. In de Oekraïne kreeg een speler die reageerde om de discriminerende spreekkoren een ode kaart en ook dichterbij huis heb ik al meegemaakt dat een speler die dit zelfde overkwam van het veld werd gestuurd. De scheidsrechter bij Den Bosch tegen Excelsior is in mijn ogen een held. Een scheidsrechter die de verantwoordelijkheid nam voor het welbevinden van de spelers op het veld. Dat namelijk mensen is óók een taak van een scheidsrechter. Het gaat echter verder dan de scheidsrechter. Een veilige omgeving voor iedereen, zowel voor de eigen spelers, de tegenstander, de scheidsrechter. het publiek is een verantwoordelijkheid van de club, sterker nog van alle clubs. Denk na over hoe je omgaat met ongewenst gedrag, beschrijf dit ook en houd je hier aan. Doe aangifte en als de speler die niet wil of durft, doe dit als club. Weer mensen die, na hier een aantal malen op aangesproken te zijn, ongewenst gedrag laten zien van de club. Maak hier als club, maar ook mét clubs , afspraken over. Hier zou de bond een rol in kunnen spelen. Zachte heelmeesters maken nog altijd stinkende wonden.

 

Afbeeldingsresultaat voor say no against racism

Bronaanpak

Ik was net 17 toen ik, als assistent, mijn eerste team trainde en coachte. De meiden die ik trainde waren net iets jonger. Ik volgde een interne trainerscursus binnen de club. Af en toe kreeg ik wat documentatie mee om, ter voorbereiding, door te lezen. Heel geleidelijk mocht ik steeds meer onderdelen van de training verzorgen. Na iedere training had ik even een kort gesprekje met de hoofdtrainer over hoe het was gegaan en wat beter kon. Een jaar later trainde ik mijn eigen team. Ditmaal een jongensteam, andermaal spelers van ongeveer mijn eigen leeftijd. Dat seizoen volgde ik de ABO cursus, de algemene basis opleiding voor startende trainers. Een jaar daarna, andermaal, een jongensteam. Een team met daarin een van mijn broers. Ik dacht dat ik dit wel kon, als het maar leuk was. Bij ons op zolder stond een oude deur, de klinken waren er af. Als je die nu plat legt heb je een mooie gladde vloer, dacht ik. Mijn broer kreeg extra training.

In mijn voorlaatste blog beschreef ik al het hele proces dat ik doormaakte. Van fanatiek, bevlogen, gepassioneerd tot het moment dat ik mij realiseerde dat er meer was dan alleen de sport. Het moment dat ik mij besefte dat winst niet ging over winnen van de ander, maar dat winnen ging over beter zijn dan dat jezelf gisteren was. Het moment dat gewoon jezelf zijn ook helemaal prima was.

Lees de rest van dit bericht

Beroepsperspectief

Van je hobby je werk maken, wie wil dan nou niet? Bevlogen en gepassioneerd, zo was ik met mijn sport bezig. Op de middelbare school wilde ik enorm graag naar het CIOS, een baan in de sport. Van het trainen en coachen van sportteams mijn werk maken, dat was wat ik wilde. Ik leefde sport, sport was en misschien wel is, mijn passie. Ik was dag in, dag uit bezig met het maken van, het evalueren en verbeteren van de jaarplannen, de trainingen, de persoonlijke ontwikkelplannen. Ik bepaalde de beginsituatie van mijn teams. Ik bekeek wat er bereikt zou kunnen worden en maakte op basis van die informatie de route. Ik kon mij dan niet voorstellen dat er mensen waren voor wie het volleybal gewoon een hobby was. Ik kon mij niet voorstellen dat er nog iets anders kon bestaan naast het volleyballen. Ik kon mij niet voorstellen dat er mensen waren voor wie volleybal iets was van er bij, van leuk op de donderdagavond.

Ik vind van mezelf dat ik, door ervaring verstandig geworden, nu met wat meer distantie naar sport, naar mijn sport, het volleybal, kan kijken. Je kunt je afvragen of dat ook feitelijk zo is. Ik schrijf, denk nog dagelijks na, over het trainen geven, het coachen, het anderen beter maken dan dat ze vandaag zijn. Ik vind daar over het algemeen ook nog wel iets van. Een vriend zei mij ooit dat ik nogal pretentieus met sport omging. Ik schrok daar wel van. Dat pretentieus had zo negatieve lading. Ik denk echter wel dat het klopte. Ik wilde het beste van het beste. Ik wist wat goed was, tenminste dat vond ik. Ik speelde, als coach, 16x in de finale van een NK en was apetrots op mijn eerste pupil in Oranje.

Het CIOS is er nooit van gekomen. De schooldecaan vond dat destijds niet wijs plan. Met een CIOS diploma was je bijna beroepswerkeloze. Hij kende geen enkele oud leerling met een CIOS diploma die ook maar iets met dat diploma had gedaan. Voor mij kwam de MTS in beeld. Ik was goed in wis- en natuurkunde en klooide in mijn vrije tijd ook nog wel met oude radio’s en TV’s. Het bloed kroop waar het niet gaan kon. Ik volgde verschillende trainerscursussen, maar ook zoiets als een cursus sportmassage, een cursus neuro-training en een cursus mentale training en coaching. Ik wilde het uiterste er uit halen. Ik wilde mijzelf continu verbeteren. Zolang ik dat zelf maar bekostigde maakte niemand daar een probleem van. Als ik hierover echter met iemand in gesprek ging moest ik wel uitleggen waarom ik nu speciaal die cursus mentale training en coaching had gevolgd. Helemaal vreemd vond men wel dat ik de cursus recreatie sportleider A en de cursus sportmassage had gevolgd. Niet iedereen is zó fanatiek met zijn sport bezig, voor veel, heel meer mensen is sport gewoon een hobby. Voor veel, heel veel mensen zijn er ook vreselijk veel andere activiteiten die minstens zo leuk, zo niet leuker zijn. Dat een speler destijds de bruiloft van zijn zus belangrijker vond dat de PD wedstrijd van zijn team, ik kon daar met de pet niet bij. Het leverde mij een lading van kritiek op. Ik had niet begrepen dat sport gewoon voor 100% om plezier draait en dat er echt belangrijkere zaken zijn in het leven.

Jaren later leerde ik dat het pedagogische leerklimaat dat een trainer weet neer te zetten bepalend is voor het stoppen, dan wel doorgaan van een sporter met zijn sport. Dit gold niet alleen voor de meer recreatief ingestelde sporters, maar dit gold evenzeer voor de topsporters. Een sportklimaat dat al te zeer gericht was op prestaties leidde tot drop-outs. Met mijn fanatisme, met mijn interne drive tot perfectie, tot het willen winnen maakte ik de kans op drop-outs misschien wel groter? Na een goed gesprek met de man achter het onderzoek Volhouden of Afhaken, tijdens een studiedag van NL Coach, ging ik daar wel vraagtekens bij zetten. Was ik niet te fanatiek, te bevlogen met mijn sport bezig. Een sport burn out dreigde. Als gaan voor het resultaat, misschien wel averechts werkte, als de mensen om mij heen, mij hierom niet begrepen wat was het dan nog waard om daar mee bezig te zijn?

Laatst sprak ik een neef, 15 jaar en net over gestapt naar een andere vereniging. Waar er bij zijn oude vereniging nogal voor het resultaat werd gegaan en de  sfeer niet altijd fijn was, was het nu 180 graden anders. De sfeer was goed, het was fijn. Hij had geen spijt van de overstap. Op mijn vraag hoe de start van de competitie was geweest kwam een wat ontwijkend antwoord. De eerste wedstrijd werd met 12-0 verloren en ook de tweede werd verloren. Kennelijk was er iets anders dat het de moeite waard maakte om te sporten. Kennelijk deed deze trainer-coach iets heel bijzonders. Hij had amper voetbalervaring, had een starterscursus gevolgd maar wist op een of andere manier de  jongens te boeien. De man had ook geenszins de ambitie om van zijn hobby, want dat was het wel, zijn werk te maken. Het hield mij bezig. Hoe was het mogelijk dat een trainer met vrij weinig ervaring en specifieke kennis van de sport zijn spelers zo weten te raken en te motiveren dat zelfs een 12-0 verlies géén probleem was. Kennelijk waren er andere zaken belangrijk dan het tot op detail weten hoe alles binnen de sport werkte. Tactiek en een optimale techniek, waren veel minder belangrijk dan dat ik altijd dacht. Geen ingewikkelde analyses, geen ingewikkelde teamgesprekken.

In een eerder blog van de voetbalpupillentrainer geeft hij aan dat het trainersvak meer dan ooit recht heeft op een beroepsperspectief. Er wordt een vergelijking gemaakt met het onderwijs. Die vergelijking gaat mijns inziens mank. Het vak als onderwijzer is feitelijk een vak. Binnen dat vak kennen wij ook de leraren lichamelijke onderwijs, ook dat is een vak. Deze mensen verdienen een goede CAO én een goed salaris. In ons land kennen wij in de sport een verenigingsstructuur. Verenigingen gedraaid worden door vrijwilligers. Mensen die zich een slag in de rond werken, voor een appel en een ei en een Dank-je-wel avond aan het eind van het seizoen. De uitzondering hierop zijn de trainers, zij krijgen een vergoeding. Nu ontzegging ik niemand een beroepsperspectief en ja, ook ik vind dat wij enorm moeten investeren in de kwaliteit van trainers. Dit moet middels betaalbare trainerscursussen, middels een systeem van goede ondersteuning, maar ik vraag mij
inmiddels wel af of een beroepsperspectief wel past binnen de Nederlandse verenigingsstructuur. Ik vraag mij af of de toegankelijkheid van trainerscursussen ook gekoppeld moet worden aan het beroepsperspectief. Zou het niet kunnen zijn dat enig beroepsperspectief een prijsopdrijvend effect heeft op de kosten van dergelijke cursussen en dat daarmee de toegankelijkheid misschien wel vergroot wordt?
De KNVB heeft zijn jeugdtrainersopleidingen aangepast. “Met meer aandacht voor pedagogiek”, aldus Ab van de Velde, technisch jeugdcoördinator bij de KNVB. Daar is helemaal niets mis mee, maar die trainer van mijn neefje deed, zonder enige opleiding, misschien wel hele goede dingen, zonder dat daar een opleiding aan te pas was gekomen. Gewoon omdat de beste man, zich zelf niet belangrijker maakte en de sport, in dit geval het voetbal, wel heel goed wist te relativeren. Misschien ligt de uitdaging er wel in om, als wij werk willen maken van vitaliteit en onze gezondheid, werk wil maken van een levenlang sporten, juist niet te streven naar een beroepsperspectief voor al die trainers. Misschien is het wel veel belangrijker om eens kritisch te kijken naar onze sportcultuur. Wij kunnen investeren in een beroepsperspectief voor sporttrainers, wij kunnen pedagogiek onderdeel uitmaken van al die trainerscursussen, maar dat is allemaal symptoom bestrijding. Het is allemaal een druppel op een gloeiende plaat als wij al op hele jonge leeftijd het winnen centraal stellen, als wij al op hele jonge leeftijd kinderen afserveren als talentloos. Het is allemaal een druppel op de gloeiende plaat als wij kinderen als materiaal gaan zien en niet meer op de eerste plaats zetten. In Engeland, bij Salisburyrovers Footballclub hebben ze dat begrepen.

 

Ouders

Het wordt een soort terugkerend fenomeen. Ouders liggen weer onder vuur. Werden ouders eerst aangeduid met de term Curling ouders als je eens kwam vragen hoe het met je kind ging. Sinds enige tijd weten wij ook dat er ouders zijn die keiharde chantagepraktijken hanteren om hun kind in het gewenste selectieteam te krijgen. Dat zijn geen curlingouders meer, dat zijn leden van een criminele organisatie die bij wet verboden zouden moeten worden.

De voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee. Niet alleen de voorzitter van Voorwaarts Westerhaar is er helemaal klaar mee, ook bij bij DETO en Dos ’37 hebben ze hier ervaring mee. .Ouders zijn een soort onkruid, het woekert. Ook in het onderwijs heeft men moeite met ouders. Op een congres voor onderwijzers trok Pieter Derks, als nieuwbakken schoolpleinvader, het boetekleed aan. Heel nederig vertelde hij ná 1 jaar schoolplein ervaring tot de conclusie te zijn gekomen dat niet de werkdruk, de regels, de personeelstekorten een probleem zijn maar dat ouders het grootste probleem zijn. De moeder aller problemen zijn wij. De zaal met onderwijzers klapte enthousiast. Het was herkenbaar. Een ouder van een kind met een glutenallergie, dat ook nog hoogbegaafd was, was toch wel het ergste wat je kon overkomen. Zoek het lekker uit, was het motto.

Wij vinden allemaal ons kind uniek  en willen het aller beste voor ons kind. Een warm pleidooi om kinderen niet te pamperen, kinderen weer gewoon te zien als onderdeel van de klas, gewoon iedereen over een kam en dat hoog begaafde kind met een gluten allergie geef je gewoon een bakje water met maismeel want die kan er best zelf een koekje van maken.

“Je moet niet de weg voorbereiden op het kind, je moet het kind voorbereiden op de weg”

De weg is niet ideaal en daar moet een kind maar mee leren omgaan. Een waarheid als een koe. Als het fout gaat, dan gaat het maar fout daar leer je van. Het gaat er ook niet om hoe vaak je valt, het gaat er omdat je wel altijd weer op staat.

Nu gebeurd dat in de GGZ, de sector waar ik al jaren werkzaam ben ook, mensen voorbereiden op de weg, maar als het daar een keer mis gaat zeggen we niet, jammer joh, gewoon weer opstaan en opnieuw proberen.

Waarom zien wij kinderen maar ook cliënten binnen de GGZ als een soort homogeen samengestelde groep? Waarom zijn wij niet in staat om hier onderscheid in te maken? Waarom kunnen wij een mens niet als individu zien? Ook binnen de sport zijn wij niet in staat om kinderen als een individu te zien, wij zijn niet in staat om tegen een kind te zeggen, “jammer joh, volgende keer beter. Als je dat en dat nog weet te verbeteren.”

Het is al weer heel wat jaren geleden. Ik had een afspraak voor een 10 minuten gesprek met de meester van groep 8. Mijn oudste zoon had moeite met rekenen en ik wilde  graag met de leerkracht in gesprek over hoe hij, hoe wij, hem daar het beste bij konden helpen. Binnen 2 minuten ging de leerkracht over in een wervend verhaal over hoe hij de klas rekenen leert. Een betoog dat ik snel moest afkappen omdat een 10 minuten gesprek echt maar 10 minuten duurt en ik echt maar 1 kind in zijn klas had. De beste man wist even niet hoe nu verder. Hij was niet in staat om een kind als individu te zien. Hij zag, zo bleek, de klas als de som der gemene delers. Hij was vrij slecht in staat om te vertellen wat mijn zoon nu anders zou moeten doen, zelfs een beschrijving van de stand van zaken was, ondanks alle toetsen die uitgevoerd werden, natte vinger werk.

Ook de teamindeling bij voetbalclubs is veelal een subjectief gebeuren. Het is het beter gissen. Trainers hebben vaak geen idee hoe iemand presteert, laat staat hoe het proces er over de langere termijn inziet. Kinderen kunnen jaren lid zijn van een club maar toch elk jaar weer die selectietraining, alsof elke trainer zijn eigen wiel weer moet uitvinden. Trainers zijn, net als die leerkracht uit groep 8 in het geheel niet in staat om uit te leggen waarom een kind niet geselecteerd is en nog veel moeilijker blijkt het om een kind te vertellen wat hij of zij moet doen om het seizoen er na meer kans te maken om geselecteerd te worden.

Wil je als clubbestuur gemopper en gedoe voorkomen doe je er goed aan vooraf na te denken over waarom je doet wat je doet, waarom je de besluiten neemt die je neemt. Kortom zorg dat je goed beleid hebt en zorg dat je hier ook transparant over bent. Zorg voor  een overdracht van trainer naar trainer. Zie het kind als individu, lever maatwerk.

Heb je geen beleid,  is het proces van de teamindeling vaag en de communicatie over dat proces niet transparant dan roep je het commentaar over jezelf af. Kom uit die ivoren toren, communiceer met je ouders, met de jeugd. Ouders willen het beste voor hun kind, daar is niets mis mee, maar ouders kunnen best accepteren dat dit niet hun kind misschien niet de nieuwe Messi is. Denken dat je kind dat is terwijl zijn of haar talenten misschien wel heel ergens anders liggen wordt een kind en in het verlengde de ouders, ook niet gelukkig van. Kinderen, en ook ouders, willen wel uitleg. Waarom is een kind niet geselecteerd, wat kan het nog niet, wat zou het nog moeten leren? Dat is het minste dat je zou moeten kunnen vertellen. Laten wij de weg niet voorbereiden op de trainers en de clubbestuurders maar laten wij de trainers en bestuurders een voorbereiden op de weg.

%d bloggers liken dit: